zaterdag 11 april 2015

PINK (SCHIP). WAT IS DAT?


VAREND VAN DE 15E TOT DE 19E EEUW.




(1)  Een pink is een type koopvaardijschip dat reeds in de 15e eeuw werd genoemd voor de vrachtvaart op Engeland vanuit Frankrijk en de Nederlanden.
Het is mogelijk dat deze pinken vissersschepen waren die tijdelijk voor de koopvaardij voeren.
In de 18e eeuw voeren pinken vooral in Noordwest-Europa. Het waren schepen die vlakker waren gebouwd dan een fregat, maar scherper dan een bark. De pink had een smal, hoog achterschip met een klein hakkeboord, soms een galjoen, meestal een vrij stomp voorschip met bijna rechtstaande voorsteven zonder versiering.
De romp had een tamelijk ronde dwarsdoorsnede met sterk invallend bovenboord, waardoor een smal dek werd verkregen. Zij hadden zowel één als twee dekken.
In de 19e eeuw verdween het hoge achterschip, waardoor zij moeilijk van een fregat te onderscheiden waren.
Zij waren in Noord-Europa nog in aanbouw tot 1872. Behalve voor de koopvaardij werden zij ook gebruikt als bevoorradingsschip voor de oorlogsschepen.
De normale tuigage was een driemasttuig. De benaming 'pink' heeft meer betrekking op de rompvorm dan op de tuigage.
Afmetingen in de 18e eeuw waren: lengte 16,5 tot 34,45 meter; breedte 5,2 tot 9,3 meter; holte 2,45 tot 4,85 meter. Draagvermogen 24 tot 180 ton aan last.


(2)  Het was ook een koopvaardijschip van de Middellandse Zee, vooral op de Italiaanse kust, in de vaart van de 17e tot de 19e eeuw (zie tekening boven). Toen het grootste koopvaardijschip met latijnzeilen. Het hoog oplopende achterschip werd afgesloten door een met snijwerk versierd hakkeboord. De romp was volledig gedekt. Achter de grote mast lag een halfdek, in het achterschip ook nog een kort zonnedek zonder verschansing.


( Een versierd hakkeboord van een schip.)

De lading werd zowel onder- als bovendeks gestuwd; een deel werd ook over de gehele lengte van het verdek buiten het boord van het schip gehangen.
De tuigage bestond uit twee paalmasten en een bezaansmast.
De voorstevenknie en lange galjoen waren van een boegspriet voorzien. De fokkemast had een sterk voorwaartse valling, de grote mast stond verticaal, de bezaansmast stond excentrisch en helde achterover.
Op de boegspriet werd een vliegende kluiver gevaren. In oorlogstijd voerden deze pinken 32 stuks geschut.
Afmetingen: lengte 34,5 meter; breedte 5,55 meter; holte 3,6 meter.
Draagvermogen: 300 ton.

(3)  Een Nederlands vissersvaartuig voor de visserij op de Noordzee. Het type schip werd reeds genoemd in de eerste helft van de 15e eeuw, zij het dan als vrachtvaartuig.


De oudste afbeeldingen vind men terug op schilderijen en tekeningen uit de eerste helft van de 16e eeuw.
Pinken werden gebruikt langs de hele Hollandse, Friese en Zeeuwse kust, naderhand alleen op de Hollandse kust.
Deze pinken waren scheepjes van 6 tot 9 haringlasten. Het platte vlak was lancetvormig en samengesteld uit zware planken. De voorsteven was gebogen en had een sterke valling, de achtersteven was recht en had een matige valling.
Het boord werd overnaads tegen de zijkant van het vlak gezet.
Het grootspant was U-vormig, de kop volrond, onder water tamelijk weggeveegd, evenals het achterschip.
Achter de mast volgde het ruim, dat afgesloten werd door een achterplecht die in het achterschip nog verhoogd was. Sommige van deze visserspinken hadden in het boord geesten voor het inhalen van het haringnet.
Zeventiende-eeuwse pinken voor de haringvisserij waren hoger opgeboeid en hadden in het achterschip een kajuit en een vooronder in het voorschip.
De grote mast van de pink was strijkbaar, stond bijna midscheeps en voerde een razeil. De fokkemast die veel kleiner was, stond vlak achter de voorsteven en voerde eveneens een razeil.
De zwaarden waren lang en smal. Tegen het einde van de 17e eeuw begonnen pinken ook bezaanzeilen te voeren en veranderde het type naar het latere type schip genaamd bom.
Afmetingen: lengte 10,65 meter; breedte 3,65 meter; holte 1,7 meter.





Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen