zaterdag 24 januari 2015

SCHEEPSBAARD EN ZEEPOKKEN.

DE BAARD VAN HET SCHIP.

(1) Dit is de aangroei van plantaardige en dierlijke organismen die zich onderwater aan de scheepshuid vasthechten.
De oorzaak zijn vooral wieren (algen) die soms vrij lang kunnen worden en het best tot ontwikkeling komen bij een langzame vaart van het schip.
Deze aangroeiing is het sterkst in tropische zeewateren. Over het algemeen treedt in zoet water weinig aangroei op.


Dierlijke aangroei wordt gevormd door zeepokken (Balnoïdea), een soort schaaldier dat zich stevig vasthecht en de scheepshuid oneffen maakt.
Aangroei heeft grote invloed op de weerstand die een varend schip ondervindt. Van die weerstand wordt nl. 60-70% veroorzaakt door wrijving. Het vaartverlies door aangroei kan aanzienlijk zijn.
Ondanks de moderne verfsoorten blijft een schip last houden van aangroei en dit wordt tijdens   periodieke dokbeurten verwijderd.
Dit verwijderen noemt men 'knippen en scheren'. Dit wordt gedaan met waterstralen onder zeer hoge druk of door schrapen en steken. Ook wordt vaak zandstralen toegepast. 
Zolang er schepen hebben gevaren, heeft men strijd gevoerd tegen de aangroei.

(2) De baard van het schip kan ook een brede rand zijn tegen de buitenkant van het kluisgat (ankerkluis). Men spreekt van dekbaard en onderbaard. In het algemeen een constructiedeel ter versterking en bevestiging.


ZEEPOKKEN. 

Het zijn schaaldieren die echter een andere vorm hebben dan de overige soorten doordat hun lichaam omsloten wordt door een schaal van kalk in de vorm van een afgeplatte piramide. Zij leven vastgehecht.
Het huis kan aan de bovenzijde gesloten worden door vier plaatjes. Bij opening kan het dier zijn 6 paar veervormige pootjes naar buiten steken; hiermee vangt het fijne voedseldeeltjes. Door het goed functionerende sluitmechaniek kunnen veel soorten lang buiten water overleven.



De larve is een Naupius. Bij de overgang van de larve tot volkomen vorm hecht ze zich met de kop door middel van een soort cement op een voorwerp vast.
De larven worden door het plankton overal heen verspreid en daar de vruchtbaarheid zeer groot is, kunnen zeepokken allerlei voorwerpen met een vaak aaneengesloten laag bedekken.
Zij dragen daardoor  wel het meest bij tot de aangroei van scheepswanden, boeien, steigerpalen in zee en zelfs op oesters en mosselen.





Bijgaande afbeeldingen geven een stuk zeepokken weer met een gemiddelde hoogte van 8 cm.
Deze werden in dok verwijderd van de scheepshuid van een tanker welke een jaar opgelegd had gelegen op zee voor de kust van het eiland Labuan (Maleisië.) te Noord-Borneo.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen