donderdag 20 november 2014

GRACHTENPANDENGEVELS VAN AMSTERDAM. (DEEL 2)

DE GEVELS VAN DE GRACHTENPANDEN. [1]


                                                           ( Panden aan de Singel.)

Over het algemeen hebben de meeste grachtenpanden een hoge smalle gevel welke in de top vaak rijk geornamenteerd is. Typisch is dus de topgevel architectuur aan deze panden. 
Doordat de huizen smal zijn en de nok van het dak loodrecht op de straat staat, wenste men dit ontsierende van de woning aan het oog te onttrekken, wat leidde tot de ontwikkeling van diverse sier topgevels.

Zo onderscheiden we: trapgevels, klokgevels, halsgevels, verhoogde halsgevels, lijstgevels, verhoogde lijstgevels en topgevels.

( Het dak gaat schuil achter de als sier aangebrachte geveltop.)

Een uitzondering is het dubbele woonhuis, waarvan  de nok van het dak evenwijdig aan de straat ligt en men zodoende een lijstgevel toepaste, waarachter het dak in gehele lengte schuil gaat.
Dubbele woonhuizen zijn vrij zeldzaam.


DE HOUTEN HUIZEN VAN VROEGER. (1200-1550)

Zoals vermeld in deel 1, waren de eerste huizen van Amsterdam opgetrokken van hout. Slechts twee van deze zeer oude panden zijn bewaard gebleven. 

Het meest bekende houten pand van vroeger ligt aan het Begijnhof nummer 34. Door de jaren heen zij deze panden ook gerestaureerd en is daarbij baksteen toegepast.
Het huis op het Begijnhof dateert uit 1475. De houten puntgevel wordt gekroond door een zogenaamde 'makelaar'. Deze soort versiering komt men nog tegen op de huizen van de vroegere vissersdorpen rond de voormalige Zuiderzee en op de daken van boerderijen in het noorden van ons land, waarbij de een nog sierlijker dan de andere.





Het tweede bewaarde houtenpand van Amsterdam, 'het Houtenhuis',  ligt op de Zeedijk nummer 1. Het pand waarin onderin een bar is gevestigd tegenwoordig dateert uit 1550.

Sinds de twee grote stadsbranden in 1421 en 1452 waarbij veel van deze panden verloren zijn gegaan en een verder gevaar van dergelijke branden te voorkomen werd er in 1669 een wet aangenomen waarin het verboden werd langer panden met houtengevels te bouwen.





GEVELS MET ROLORNAMENTEN. (1570-1600).


Aan de Singel nummer 423 staat een fraai rood bakstenen pand waarvan de gevel is opgesierd met rolornamenten.
Ook in de St. Annenstraat, een zijstraat van de Warmoesstraat, op nummer 12 staat nog een pandje met deze rolornamenten. Bij dit pand zijn de rolornament versieringen aangebracht rond de top van de gevel.
Ook van dit soort panden zijn er slechts maar enkele bewaard gebleven.
Bij het pand aan de Singel nummer 423 zijn de rolornamenten aangebracht gedeeltelijk in de gevel.
Op de top van de gevel en aan de zijden van het pand zijn bolvormige pinakels aangebracht. Volgens een gevelsteen in de top van het pand dateert het geheel uit 1606. In het rolornament aan de gevel bevinden zich vier leeuwenkoppen.
Boven de vensters, kruiskozijnen met glas-in lood ramen, zijn zogenaamde ontlastingsbogen aangebracht.
Op het eerste gezicht dienen zij als versiering, maar in feite worden door deze boog constructies het gewicht van het boven het raam liggende muurgedeelte overgebracht naar de zijkanten van de ramen.
Deze kruiskozijnen met luiken werden tot ongeveer 1700 toegepast.
De ontlastingsbogen zijn ook terug te vinden bij de trapgevels.


PANDEN MET EEN TRAPGEVEL. (1600-1665).

Trapgevels zijn gebouwd in de renaissance stijl. Het is een topgevel die zich naar boven toe trapsgewijs versmalt. Tot rond 1665 heeft de binnenstad van Amsterdam vol gestaan met trapgevels.
Met de bouw van deze stijl wordt zoveel mogelijk de schuine lijn van het dak vermeden.


 Een goed voorbeeld hiervan is te zien aan het pand "Huis aan de Drie Grachten" gelegen aan de Oudezijds Voorburgwal 249.
Door het wegwerken van de drie puntdaken heeft het pand drie trapgevels gekregen.
Duidelijk is te zien dak de houten kap van het dak reeds  na de eerste verdieping begint.
Het pand "Huis aan de Drie Grachten" is een groot pand en heeft aan voor- en achterzijde een ingang.
In dit pand zijn ook duidelijk de ontlastingsbogen boven de vensters te herkennen.

Het pand heeft heeft een insnijdend dak, dwars op het dak met de nok evenwijdig aan de gracht werd het voorzien van een trapgevel. Dat de trapgevel populair was blijkt dat zelf dit dubbele pand er mee is uitgerust. Trapgevels zijn bij enkele panden vooral te herkennen, niet alleen aan de specifieke voorgevels met 'treden', maar ook aan hun typische 17e eeuwse bouwhoogte. 


Een ander fraai pand met een trapgevel is gelegen aan de Oudezijds Voorburgwal.
Hier zij de renaissance stijlmerken duidelijk in terug te vinden.
Horizontale zandstenen banden. In de ontlastingsbogen zijn zandstenen hoek- en sluitstenen aangebracht. 
De 'treden' zijn afgewerkt met zandstenen platen en op de top een pinakel. Boven de winkelpui een gevelsteen.


In latere jaren kwam de Amsterdamse renaissance op, de bouwtrant van Hendrick de Keyser. Bij deze bouw werden de trappen groter en vaak ongelijk in hoogte. Op deze trappen werden dan klauwstukken en andere versieringen geplaatst.
Ook de ontlastingsbogen boven de ramen waren niet meer halfrond maar kregen een S-vormige vorm, de zogenaamde "accoladebogen".


PANDEN MET EEN TUITGEVEL. (1620-1720).

De tuitgevel werd weinig gebruikt bij de bouw van woonhuizen. Zo zijn deze het meeste te vinden bij de oude pakhuizen.

( Twee dubbele panden ment in het midden een smaller pand met een tuitgevel aan de Brouwersgracht. Nu omgebouwd tot woonappartementen.)

Een tuitgevel is een soort afgepunte puntgevel of een versoberde trapgevel waarvan alleen de bovenste tree is overgebleven. De 'tuit' wordt vaak gesierd door een fronton of afgedekt met een zandstenen plaat. De schuine zijden eindigen op voluten of zandstenen platen. Tuitgevels werd ook veel gebruikt als achtergevel van een pand.

In de top op de nok hoogte van het dak dat achter de gevel ligt is over het algemeen een hijsbalk aangebracht. De plaatsen waar nu de ramen zitten met de de halfcirkelvormige bovenkant, waren vroeger deuren die naar buiten open konden, nu de luiken, op de vracht op de verdiepingen op te slaan.
De zandstenen blokken rond de luiken hebben naast een decoratieve functie ook een constructieve functie, daar hierin de scharnieren van de luiken werden bevestigd.
De tuitgevel is het gangbare geveltype voor de pakhuizen.

In de 17e eeuw werden de kleinere woningen in de volksbuurten van een tuitgevel voorzien omdat dit goedkoop was in de uitvoering. Ook toen al de goedkope bouw van huurwoningen.




Toch zij er eigenaren geweest die een tuitgevel wisten te verfraaien, in het begin van de 19e eeuw, met zandstenen platen, balken een fronton op de top en naast het bovenste raam aan iedere zijde een zandstenen versierde omlijsting, een cartouche.

( zie vervolg deel 3: De gevels van de grachtenpanden van Amsterdam [2]. )

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen