zaterdag 20 september 2014

KINDERDIJK EEN UNIEK MOLENLANDSCHAP.

WINDKRACHT OM EEN GEBIED DROOG TE HOUDEN.


Nergens ter wereld kan men een molenlandschap vinden zoals in Kinderdijk-Elshout. De molens liggen in een gebied waar de rivier de Lek en de Noord samen stromen. Het betreft negentien molens in het noordwesten van de Alblasserwaard een gebied gelegen in de provincie Zuid-Holland.

Op een korte afstand bijeen staan:
8 molens van de Nederwaard.
8 molens van de Overwaard.
2 molens van de polder Nieuw-Lekkerland.
1 molen van de polder Blokweer.


Het zijn allemaal poldermolens, die twee molengangen vormen en een internationaal groot toeristisch trekpleister zijn.
Al deze molens zijn eigendom van de Stichting Werelderfgoed Kinderdijk en ze staan sinds 1997 op de Werelderfgoedlijst van UNESCO.
Het gehele gebied is tevens beschermd dorpsgezicht.
De molens bij Kinderdijk zijn gebouwd vanaf het einde van de 15e eeuw, maar de huidige molens dateren bijna allemaal uit 1738-1740.





1. Rivier de Lek.
2. De Hooge Boezem van het  
    Waterschap de "De Nederwaard".
3. Rivier De Noord.
4. De Hooge Boezem van het
    Waterschap de "De Overwaard".
5. De Lage Boezem van de
    Nederwaard.
6. De Lage Boezem van de 
    Overwaard.



Alle poldermolens elders in de polder rond het Kinderdijk complex, malen hun overtollige water uit op een "lage" of een gezamenlijke boezem, de dubbele brede wetering, die het waterschap doorsnijdt.
Het einde van deze boezems ligt tussen de twee rijen molens. Er komen bij Kinderdijk twee grote boezemwateren samen. Dit zijn de Groote- of Achterwaterschap ten behoeve van de Boezen van Overwaard en de Nieuwe Waterschap ten behoeve van de Boezem van de Nederwaard. Zij monden uit bij Elshout, noordwesten van de Alblasserwaard.  Het is de slagader van het waterschap die het overtollige water kan lozen via een spuisluis, op de rivier de Lek. Het waterschap dient er voor te zorgen, dat de langzaam vullende boezems weer van dat water ontlast worden via de reeds genoemde spuisluizen.


Bij Kinderdijk was er echter een groot probleem, dit lozen van het overtollige water diende te gebeuren op de rivier. 
Deze rivier, het waterpeil ervan stond onder sterke invloed van eb en vloed op zee. Tijdens de vloed perioden was het niet mogelijk om door een natuurlijke afvloeiing water op de rivier te lozen. Dit was alleen mogelijk gedurende laag water, bij eb.
Om toch de lage boezem te ontdoen van het overtollige water tijdens vloed perioden, maalden de molens van de Kinderdijk het water vanuit de "lage" boezem in de achter deze molens liggende, van lage dijken voorziene rietlanden, die de hoge boezem vormen. ( Het gearceerde deel in de tekening). Men noemt dit een getrapte bemaling en dit gaat als volgt te werk:



De molens, die het water uit de polders weg malen, slaan het water uit de gezamenlijke boezem op. Aan deze boezem staan de molens van het Kinderdijk complex, die het water hieruit brengen naar een hoger gelegen boezem, de z.g. hoge of bergboezem.

Deze hoge boezem, wat in wezen een soort van spaarbekken is, staat door middel van spuisluizen in verbinding met de rivier.
Zodra de waterstand in de hoge boezem hoger wordt dan die op de rivier, dan opent men de spuisluizen en vloeit het water op natuurlijke wijze af naar de rivier en de zee.
Wordt de waterstand op de rivier hoger, dan gaan de spuisluizen weer dicht. 


DE NEGENTIEN WINDMOLENS.

Het gehele molencomplex van Kinderdijk bestaat uit: 





Acht de molens van de Nederwaard zijn ronde bakstenen windwatermolens alle uit het bouwjaar 1938, bovenkruiers, type grondzeiler.

Van links naar rechts bovenste serie:
Nederwaard Molen 1 met een vlucht van 27,75 meter en een scheprad met een diameter van 6.3 meter.
Nederwaard Molen 6 met een vlucht van 28.0   meter en een scheprad met een diameter van 6,3 meter.
Nederwaard Molen 2 met een vlucht van 27,5   meter en een scheprad met een diameter van 6,3 meter.
Nederwaard Molen 8 met een vlucht van 27,3   meter en een scheprad met een diameter van 6,5 meter.

Van links naar rechts onderste serie:
Nederwaard Molen 5 met een vlucht van 27,7   meter en een scheprad met een diameter van 6,3 meter.
Nederwaard Molen 3 met een vlucht van 28,5   meter en een scheprad met een diameter van 6,5 meter.
Nederwaard Molen 7 met een vlucht van 27,5   meter en een scheprad met een diameter van 6,5 meter.
Nederwaard Molen 4 met een vlucht van 27,9   meter en een scheprad met een diameter van 6,3 meter.

De Nederwaard Molen 8 is de enigste molen welke nooit is verhoogd.






Alle acht van de molens van de Overwaard zijn achtkantige molens met een gemetselde voet, bovenkruiers, alle zijn gebouwd in 1940, type grondzeiler.

Van links naar rechts in de bovenste serie:
Overwaard Molen 1 met een vlucht van 28,7   meter en een scheprad met een diameter van 6,7 meter.
Overwaard Molen 6 met een vlucht van 28,6   meter en een scheprad met een diameter van 6,7 meter.
Overwaard Molen 8 met een vlucht van 28,5   meter en een scheprad met een diameter van 6,7 meter.
Overwaard Molen 7 met een vlucht van 29,0   meter en een scheprad met een diameter van 6,7 meter.

Van links naar rechts in de onderste serie:
Overwaard Molen 4 met een vlucht van 28,8   meter en een scheprad met een diameter van 6,7 meter.
Overwaard Molen 5 met een vlucht van 28,6   meter en een scheprad met een diameter van 6,7 meter.
Overwaard Molen 3 met een vlucht van 28,6   meter en een scheprad met een diameter van 6,7 meter.
Overwaard Molen 2 met een vlucht van 29,65 meter en een scheprad met een diameter van 6,7 meter.

De Overwaard molen 2 werd in 1984 geheel nieuw opgebouwd nadat deze door brand was verwoest.
De Overwaard molen 3 had tot 1799 twee schepraden.



De overige drie molens van Kinderdijk.
Van links naar rechts:
1. De Blokker of Blokweerse molen met een vlucht van 26,9 meter en een scheprad met een diameter van 5,7 meter. Het is het oudste type watermolen een z.g. wipwatermolen met een open scheprad.
Ken merkend voor dit molen type is dat, het gehele bovenhuis met de staart draaibaar is. Bij het type bovenkruier wordt allen de kap met de wieken gedraaid.
Deze molen gebouwd in 1620  en brandde in 1997 af. Herbouw dateert van 2001. De molen staat in gemeente Alblasserdam. Reeds in 1400 stond hier reeds een molen, die in 1575 door de Spaanse troepen in brand is gestoken.
2. De Hoge Molen met een vlucht van 28,2 meter. Bovenkruier. Deze molen heeft geen scheprad meer maar een vijzel
De molen staat in de gemeente Kinderdijk/Nieuw-Lekkerkerk.  
3. Kleine- of Lage Molen met een vlucht van 27,5 meter. Bovenkruier. Deze molen heeft geen scheprad meer maar een vijzel. De molen staat in de gemeente Kinderdijk/Nieuw-Lekkerkerk.

Eens telde Kinderdijk twintig molens, deze twintigste molen was de Oude Molen. Deze grondzeiler was één van de twee ondermolens van Nieuw-Lekkerkerk. De molen is in 1945 ingestort en vervolgens in 1957 gesloopt. Alleen de fundering resteert.


DE MOLENS EN HUN WERKING. 

Met de vlucht van een molen wordt bedoeld de totale lengte van de wieken, welke gemiddeld 28 meter bedraagt. De bovenas, waarvan men alleen de kop ziet en waar de roeden zich kruizen, ligt ongeveer 15 meter boven de begane grond.

In deze afbeelding een voorbeeld van de getrapte bemaling.
 1. Poldermolen.                                 5. Spuisluis naar de rivier de Lek, bij eb.
2. Boezemmolen.                                6. "Hoge" boezem.
3. Polderpeil.                                      7. Spuisluis naar de rivier de Lek bij vloed.
4. "Lage" boezem.

De molen brengt het water naar een hoger gelegen boezem. Dit geschied door een rad voorzien van schoepen, het z.g. scheprad. De onderste helft van het scheprad draait met de schoepen tussen twee stenen muren en rakelings over de stenen bodem.
Door de draaiende beweging van het schoepenrad, wordt het water uit de polder omhoog gebracht en over een soort drempel geworpen, waarna de druk van het water een ijzeren sluisdeurtje, z.g. wachtdeur, wordt open gedrukt. Wordt de molen nu stil gezet en het water dan zou terug kunnen stromen, wordt de wachtdeur door het water wat wil terugstromen dichtgedrukt. 
De opvoerhoogte van het schoepen- of scheprad bedraagt maximaal één meter.
Het is uiteindelijk het wiekenkruis dat het gehele mechanisme in beweging brengt. Het is weer bevestigd aan de bovenas met het daaraan bevestigde bovenwiel, wat het bovenrondsel aandrijft wat op de koningsspil is bevestigd. De koningsspil drijft dan op zijn beurt weer het onderrondsel aan, wat het waterwiel weer aandrijft en aan de wateras waarop het schoepenwiel is bevestigd een ronddraaiende beweging geeft. Het wiekenkruis met de bovenas zijn bevestigd onder de kap van de molen.

De molen is opgebouwd uit baksteen of uit hout waar bovenop een draaibare kap is aangebracht. De kap met daarin de molenas waaraan de wieken zijn bevestigd rust op rollen. Deze kap kan men verdraaien ('kruien') waardoor het mogelijk is om het wiekenkruis op de windrichting te draaien. Vandaar de naam bovenkruier voor dit type molen.
Het draaien van de kap of het kruien geschiedt vanaf de grond buiten de molen. Een zware houten balken constructie, genaamd de 'staart' is hiervoor aan de kap van de molen bevestigd en reikt net boven de grond rond de molen.
Om wrikken te voorkomen is de molenkap doorstoken door twee horizontale balken, de spruiten en de vier uiteinden daarvan zijn met lange schoren aan de staart verbonden. Een stevig kruiwiel is aan de onderzijde van de staart aangebracht. Met dit kruiwiel kan een ketting worden opgewonden die met het losse uiteinde is vastgelegd op een zware in de grond aangebrachte paal. Deze palen staan in een cirkel om geheel de molen in de grond. Door het opwinden van de ketting op de trommel van het kruiwiel kan men de kap met de wieken rondtrekken.

Het is dus de taak van de molenaar om de wieken in die stand te kruien, dat ze zoveel mogelijk kracht uit de wind halen.


1. Askop.             6. Vang.            11. Kruirad.              16. Roede / wiekenkruis.
2. Halssteen.         7. Vangstok.     12. Bovenloopschijf.
3. Windpeluw.       8. Pensteen.      13. Koningsspil.
4. Molenas.           9. Staart.           14. Waterwiel.
5. Bovenwiel.       10. Vangtouw.    15. Scheprad.


DE MOLENWIEKEN.

Iedere molen heeft vier wieken. Deze wieken, welke vroeger van hout waren, worden tegenwoordig gevormd door twee lange holle balken van metaal die achter elkaar door de askop van de molen zijn gestoken.
Men spreekt ook van twee roeden, welke men onderscheidt in een buiten- en binnenroede.
De binnenroede bevindt zich het dichtst bij de molenromp. De beide roeden zijn licht gebogen in de lengte. De binnenroede meer dan de buiten roede.
Dit is gedaan, opdat de roeden zoveel mogelijk in één vlak zullen draaien.



Op regelmatige afstand zijn in de zijkanten van iedere roede gaten gemaakt, waarin de heklatten steken.
Door een drietal lange heklatten welke evenwijdig aan de roede lopen, de z.g. 'zoomlatten' zijn ze verbonden.
De roeden, heklatten en zoomlatten vormen tezamen vier enigszins schroefvormig gebogen vlakken.
Als dit vier platte vlakken waren geweest, die loodrecht op de wind-
richting zouden staan, dan zou de wind het wiekenkruis niet in een draaiende beweging kunnen brengen.

Daar het niet altijd even hard waait en men toch een zo hoog mogelijk rendement uit de wind wenst te halen, legt men molenzeilen op de wieken. Afhankelijk van de windsterkte worden deze deze geheel of gedeeltelijk uitgerold over het wiek oppervlak.



Bij een matige wind draait de molen met volle zielen of van "top", bij een krachtige wind met halve zeilen of "gezwicht" en bij zeer harde wind zonder zeilen, ook wel "lege hekken" genoemd.

Om een molen stil te zetten of te houden, gebruikt men een reminrichting of vang. Deze werkt op de buiten omtrek van het bovenwiel, die in de kap van de molen om de molenas is vastgezet met wiggen.
Deze rem is te vergelijken met de remblokken van een treinstel. Een aantal gebogen en aan elkaar verbonden wilgenhouten blokken, heeft men rond dit grote wiel, wat aan de buitenzijde glad is afgewerkt, aangebracht.
Wordt de vang niet gebruikt dan laten deze blokken het bovenwiel net vrij ronddraaien, doch moet de molenaar zijn molen tot stilstand brengen, dan kan hij van buiten vanaf de grond, door aan het vangtouw te trekken, deze reeks houten rondom het bovenwiel klemmen, waardoor langzaam de vaart uit de molenwieken begint te geraken en deze langzaam tot stilstand komen.


DE TAAL VAN DE WIEKEN.

De stand van de wieken heeft haar eigen taal, als de molen stilstaat.
1. De vreugdestand, welke bij al de soorten feestelijkheden kan worden toegepast, zoals de geboorte van een kind of een nationale feestdag.
2. De rouwstand, welke wordt toegepast bij het overlijden van iemand uit het molenaars gezin, maar ook bij een nationale doden herdenking.
3. Dit is de tijdelijke stilstand van de molen.
4. Langere stilstand van de molen, daar er geen werk is voor de molenaar.
5. Een verzoek om bijvoorbeeld in een noodgeval zo snel mogelijk naar de molen te komen.
6. Een bruiloftsviering. (hoofdzakelijk in Friesland.)


HET HART VAN DE MOLEN. 

Met het hart van de molen bedoelen we al die bewegende delen welke zich binnen in de molen bevinden. 


Boven in de kap vinden we de molenas. Aan de zijde waar deze de kap binnenkomt rust deze as op een zware houtenbalk, de z.g. windpeluw. Deze balk draagt ook het volle gewicht van de direct buiten de kap in de molenas bevestigde roeden.
Onder de molenas bevindt zich een enigszins uitgehold stuk natuursteen, de z.g. halssteen, waarin de molenas draait.
Aan het einde van de molenas, die vanwege de licht hellende stad van het gehele wiekenkruis natuurlijk ook hellend in de kap van de molen ligt, draait deze in een tweede steen, de z.g. pensteen. Beide draagpunten worden goed met vet gesmeerd.
De beweging van de molenas wordt overgebracht op een dikke houten as, de koningsspil, die verticaal in de molen is geplaatst. Deze overbrenging is mogelijk doordat om de molenas een groot houtenwiel, het z.g. bovenwiel is vastgewigd.


Dit bovenwiel is voorzien van kammen, dat zijn houten tanden die grijpen in houten staven van het rondsel of schijfloop, die aan de top van de koningsspil is bevestigd.
De ronddraaiende koningsspil brengt de draaiende beweging en de kracht uit de wind over naar beneden in de molen. Onder aan de koningsspil is weer een rondsel of schijfloop aangebracht, dat op zijn beurt een groot wiel aandrijft, het waterwiel. Dit waterwiel- of onder wiel is vastgewigd op dezelfde as als die , waarop het scheprad is vastgemaakt.


Als dus de wieken draaien en deze een draaiende beweging veroorzaken in het scheprad komt de waterverplaatsing in de polder tot stand. Bij iedere twee omwentelingen van het wiekenkruis gaat het scheprad één maal rond. Naarmate de snelheid van de wieken hoger is, is ook de verplaatsing van het water groter. Hoe hoger het water opgevoerd moet worden, zoveel meer kracht is er nodig om de wachtdeur te openen en het water daar te krijgen waar men het wenst te hebben. 


DE MOLEN WONING.

1. Huiskamer.                                              7. Keuken met waterpomp.
2. Bedstede voor het echtpaar.                     8. Water- of onderwiel.
    met aan het voeteneind de babybak.        9. Scheprad. 
3. Bedstede voor de kinderen.                     10. Ingang voor het uit te malen polderwater.
4. Bergkastjes.                                             11. Uitloop voor het water.
5. Toegang tot de kelder.                            12. Kruipalen voor het ronddraaien van de molenkap.
6. Gang door de molen met aan iedere
    zijde een in- uitgang deur. 

Al de molens van Kinderdijk zijn nog bewoond. De Nederwaard Molen 2 is ingericht als een bezoekers molen. Hier krijgt men een goede indruk van hoe een molenaars gezin leefde. Vanuit een hoger gelegen venster van de molen heeft men een fraai uitzicht over de polder.


De molen heeft aan iedere zijde van de gang een deur. De rede hiervoor is, dat men nooit daar naar buiten loopt aan die zijde waar de wieken draaien.
Een klap van een draaiende wiek heeft meestal een dodelijke afloop. 
De taak van de molenaar was om er voor te zorgen dat het waterpeil op het juiste niveau werd gehouden. Tevens diende hij er voortdurend op te letten uit welke richting de wind waait en indien nodig de wieken op de wind te zetten.
Het gehele gezin werd bij de werkzaamheden in de molen betrokken.




De huidige bewoners van de molens bemalen de polder alleen nog op vrijwillige basis sinds de komst van het moderne vijzelgemaal.


EEN STUKJE GESCHIEDENIS.

Het gebied Kinderdijk ie reeds vanaf de 10e of de 11e eeuw bewoond. De toenmalige bewoners gingen het veen ontginnen en ontwaterden het gebied door de aanleg van sloten en weteringen. Oorspronkelijk loosde men het water op natuurlijke wijze af. Via veenriviertjes werd het overtollige regenwater afgevoerd naar de grote rivieren rondom de Alblasserwaard en de Vijfherenlanden.
Door inzinking van de grond en het stijgende waterpeil op de rivieren moest men via dijken en sluizen het land droog houden.
De polderbesturen moesten gaan samenwerken en zo ontstonden het Waterschap De Overwaard en De Nederwaard.



In 1277 richtte Floris V het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard op. Dit heemraadschap legde als eerste een dijk aan rondom het gehele gebied, met sluisjes in de Giesen (bij Giesendam) en de Alblas (bij Alblasserdam). Bij laagwater kond het water op de rivier geloosd worden. Een dijk was een van de eerste menselijke kunstgrepen die vanaf 1000 n.Chr. reeds werd toegepast om het veen- en moerasgebied in te dammen.
Dit bleek ook niet voldoende in de jaren en zo werd besloten een uitwatering op een plaats te maken met een laagste waterstand buiten de polder en werd het de meest noordwestelijke punt van de Alblasserwaard, bij Kinderdijk. In 1366 werden boezems aangelegd op de laagste plaats van de Alblasserwaard. Hier kon nog water door middel van sluizen op de rivier geloosd worden. De vloed van 1421 maakte duidelijk, dat er meer gedaan moest worden om deze zwakke gebieden met landbouwgronden en haar bewoners te beschermen.



Omstreeks 1400 stond er reeds een watermolen in het gebied maar deze kon alleen het gebied niet drooghouden. Na steeds terugkerende wateroverlast werd in 1726 bouwde men in 1738 in de Nederwaard de acht ronde stenen z.g. voor- of bovenmolens.
Twee jaar later begon men aan de andere zijde, De Overwaard met de bouw van de acht achtkantige, met riet bedekte molens.
Met behulp van deze molens kon het water in hoge boezems één meter hoger worden verplaatst. Vanuit de hoge boezem kon, afhankelijk van de waterstand  in de rivier de Lek, weer worden geloosd.
Het onderhoud aan de molens koste veel geld en ook werden de regelmatig buitenwerking gesteld door bliksem inslag.
Zo werden er in 1868 twee stoom gedreven gemalen gebouwd ter vervanging van de molens die alleen bij zware regenval weer in werking werden gesteld.




Tegenwoordig hebben twee moderne gemalen de waterbeheersing in het gebied overgenomen. Het zijn vijzel gemalen.
Het J.U.Smitgemaal heeft een capaciteit van 1.350 m³ water per minuut. Het Overwaard gemaal heeft een capaciteit van 1.500 m³ water per minuut.
In 2001 is een derde bemalingstrap in gebruik genomen om nu ook bij hogere rivier waterstanden het water te kunnen lozen.
Maar de huidige klimaatsverandering zal in de toekomst nog wel eens voor nieuwe problemen kunnen gaan zorgen.



Na de ingebruikname van de moderne gemalen raakten veel molens in verval, daar de molenaars geen vast inkomen meer hadden en zodoende de kosten voor het onderhoud niet meer konden dragen.
In juli 2008 begon men met de restauratie van 11 van de 19 molens. Een subsidie van 2,5 miljoen euro van het Ministerie van OCW en een subsidie van één miljoen euro van de provincie Zuid-Holland en het waterschap Rivierenland maakte dit mogelijk.
Het lag in de bedoeling dat al de molens in 2010 weer operationeel konden draaien.


DE NAAM KINDERDIJK.


Kinderdijk droeg vroeger de naam Elshout. Over de verandering van de naam doen zich verschillende verhalen de ronde:
Een triest verhaal is, dat de naam Kinderdijk is ontstaan, daar met behulp van kinderarbeid deze dijk tot stand is gekomen.
Een ander verhaal speelt zich af tijdens de grote Elisabethvloed in 1421.

Toen de storm eenmaal geluwd was gingen de bewoners die het hadden overleefd door de dijk op te gaan, kijken wat er nog te redden was van hun aangespoelde bezittingen. In de verte zag men een wiegje drijven op het water wat in evenwicht werd gehouden door een kat welke bij iedere golfslag heen en weer sprong.
Toen het wiegje uiteindelijk bij de dijk aanspoelde bleek dat er een baby in lag welke rustig lag te slapen en zelfs droog was gebleven.
Sindsdien zou de dijk, "Kinderdijk" genaamd zijn.


VERLEDEN EN HEDEN.

 

De Kinderdijk is een plaats waar al eeuwenlang de waterstand in  de Alblasserwaard wordt geregeld.
Het is een uniek gebied dat nog steeds bestaat uit een stelsel van vaarten, boezems en de molens waarmee oorspronkelijk de uitwatering op de rivier de lek werd verzorgd.
Kinderdijk is in feite een monument voor de strijd tegen het water, zoals die met vernuft en doorzettingsvermogen door de eeuwen heen is gevoerd door de bewoners van het gebied.
De ruime open omgeving, nodig om het gebruik van de wind optimaal te kunnen benutten is nog grotendeel in oorspronkelijke staat.  



Om deze reden is in 1997 het gehele molencomplex en het gebied waarin ze liggen op de Werelderfgoedlijst van UNESCO geplaatst. Dit mag worden gezien als een erkenning van het belang en een verantwoordelijkheid voor het beheer en behoud van het gebied voor de toekomst.





( Voor meer informatie; www.kinderdijk.nl )
  

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen