donderdag 29 september 2011

KASTEEL VAN BORGITTER. (BELGIË)

Net over de Nederlands-Belgische grens bij Neeritter, waar nog een oude grenspaal staat, staat het Kasteel van Borgitter.






Helaas was mijn verzoek of ik enige opnamen mocht maken zondermeer afgewezen door de grasmaaide beheerder en dus met de telelens een paar opnamen weten te maken van het kasteel en de daarbij gelegen watermolen.



Op een bord voor de oprijlaan staat een verhaal; vemeld over het Limburgse volkslied "Waar in Bronsgroen Eikenhout". Het zou te maken hebben met de omgekapte eikenbomen die vroeger rond om het kasteel stonden. Het lied werd trouwens geschreven door een inwoner van Neeritter, Gerard Krekelberg.




Het landgoed Borgitter bestaat uit een classicitisch kasteel met een oudere hoektoeren in de Maasstijl. Aan de noordwestelijke zijde ligt het neerhof, waaraan zich in een geknikte U-vorm de hoevengebouwen, een rentmeesterswoning en een watermolen bevinden. Het kasteel is geheel omgracht, twerwijl ook de Itterbeek volledig rondom het kasteel werd geleid, ondermeer voor het aandrijven van de kasteelwatermolen.







De hoevengebouwen vormden voorheen twee afzonderlijke landbouwbedrijven: het Breukskenhof en het Grotenhof of Halfeshof. Thans zijn ze buiten bedrijf en omgebouwd tot woningen.







De kasteelwatermolen dateert uit 1538 (thans ook woning) en maakte deel uit van Borgitter en de twee hoeven. De watermolen heeft een bijzonder waterrad, een ijzeren Poncelet rad. Het rad is aan beide zijden afgesloten, zodat er geen water kan wegstromen, waardoor het een hoger werkrendement heeft.









NEERITTER. (LIMBURG)

Neeritter is een kerkdorp, behorend bij de gemeente Leudal, 13 km. ten zuiden van de stad Weert en tegen de Belgische grens gelegen, vlakbij de gemeente Kessenich in België.

De naam van dit dorp is afkomstig van de Itterbeek die door het dorp stroomt en welke zijn oorsprong vindt bij het Belgische Gruitrode. Deze beek vormt sinds 1842 de landsgrens tussen Nederland en Belgie. De naam Neeritter komt voor het eerst voor in een aktie uit 984. Uit een akte uit 1143 blijkt dat het dorp een Luiksrijdorp was en uitmaakte van de Drie Eygen.

Neeritter telt in totaal 24 rijksmonumenten, zoals monumentale boerderijen, een gasthuis uit de 15e eeuw en een watermolen uit 1686. Maar het meest opvallende is de Lambertuskerk gelegen aan de rand van het dorp.









Deze fraaie kerk wordt omgeven door een kerkhof. Het is een driebeukigekerk met driezijdig gesloten koor. De kerk heeft zeer zwaar uitgevoerde steunberen aan de zijden. Het meest opvallende is de toren die in 1842 voor een tweede maal werd verhoogd. De onderbouw van de toren bestaat uit kolenzandsteen, tufsteen en mergel. Het verhoogde gedeel uit baksteen en in 1842 werd de toreen voorzien van de 'Peperbus'op de top. Het oudste deel van deze vlakke romaanse toren dateert uit de 13e eeuw. Het gotische middenschip van de kerk is van rond de 14e eeuw en in die tijd werd de toren verhoogd met mergelstenen. het laat-gotische koor en de zijbeuken werden in de 15e eeuw gebouwd.




Het interieur van de kerk is de moeite waard om te bekijken en bij de restauratie in 1973/74 werden er nog oude muurschilderingen ontdekt.
De preekstoel heeft zeer mooi houtsnijwerk en al de gebrandschilderramen hebben de zelfde afbeelding.

dinsdag 27 september 2011

DE UILENTOREN op landgoed 'DE BEDELAAR'.

In het artikel van 22 maart 2011, 'De Bedelaar', heb ik kort aandacht besteed aan de uilentoren die op het landgoed 'De Bedelaar' staat en toen in de steigers stond voor restauratie en gebouwd werd in 1937.




Deze maand kwam de restauratie van de uilentoren gereed, die in 2008 begon, 150 jaar na de geboorte van Eugéne Dubois. Deze toren is nu een rijksmonument en werd op 16 september 2011 geopend en weer ingebruik genomen.
Landgoed 'De Bedelaar' was eigendom van de op 28 januari 1858, in Eijsden Z.L, geboren arts, geoloog en paleontlog Professor Eugéne Dubois, overleden op 16 december 1940.




De toren is vier bij vier meter en 15 meter hoog en heeft vier etages. Op verschilende hoogten zijn gaten in de wanden aangebracht voor het toelaten van diverse gevleugelde dieren.



Op de bovenste etages zijn nestgelegenheden aangebracht voor uilen en torenvalken en een etage lager voor zwaluwen. Het grootste gedeelte is voor de vleermuizen, welke goed zijn voor de bestrijding van muggen en ander vliegend ongedierte.



In de toren is een stookplaats aangebracht, waarvan het rookkanaal door alle etages doorloopt, om in de winter een constante temperatuur t.b.v. de vleermuizen te kunnen bewerkstelligen.



Meer informatie over de toren is te vinden via de website www.studiegroepleudal.nl , daarbij is een wandeling over de opengestelde bospaden van het landgoed zeer aan te bevelen. Komt u met de auto dan is er parkeerplaats direct na de spoorwegovergang van de weg, N279, richting Heythuysen vanuit Roermond.









maandag 26 september 2011

VERKOELING en SYMMETRIE in de natuur.

VERKOELING IN DE NATUUR.

Het was gisteren, de 25 ste September 2011, een uitzonderlijk warme en zonnige dag met een temperatuur van 23 graden Celcius in de middag. Een dag om er eens lekker op uit te trekken, maar ook op z'n tijd een beetje verkoeling te zoeken en dat doet een ieder op zijn eigen manier.
Zo ook deze twee koeien in de Haelense Beek bij de gemeente Grathem in Limburg.




SYMMETRIE IN DE NATUUR.

De herfstkleuren zijn er vroeg dit jaar in de natuur, vooral nu overdag de temperatuur hoger is dan normaal en de nachten vrij koel zijn.
Zo viel mij deze prachtige symmetrie op van dit boomblad. Een waar stukje kunst van de natuur.
In onze kinderjaren maakten we zoiets door een druppel inkt in het midden van een op te vouwen stukje papier te laten vallen en het papier aan de drukken en zo een symmetrisch figuur te creëren.













zaterdag 24 september 2011

EEN REIS OVER ZES INDONESISCHE EILANDEN. EPILOOG.

Zo was er een eind gekomen aan deze reis over zes Indonesische eilanden, ieder met zijn eigen bevolking, cultuur, gewoonten, tradities en handwerk.
Een reis om op terug te kijken en herinneringen aan op te halen.




( Het op traditionele drogen van bundeltjes geoogste rijst, wat voorkomt op Sulawesi, Bali en Centraal-Java.)


Mijn zeer hartelijke dank, aan een ieder die op deze reis geholpen heeft met raad en goede daad, onderdak en eten. Maar vooral de enorme gastvrijheid. Mijn speciale dank aan Torang mijn reisgezel die een enorme steun was en vriend is geworden.


Ruim twee weken na mijn terugkeer in Nederland, vloog ik naar Dubai om in Fujairah aan boord van een schip te stappen, waarmee ik regelmatig langs de Indonesische eilanden zou varen op de reizen van de Arabische Golf naar Nieuw Zeeland en Australië. Terwijl ik dan zo vanaf het scheepsdek naar de in de verte aan mij voorbij glijdende eilanden met hun vulkanen stond te kijken, kreeg ik een gevoel van heimwee en kwamen de nodige herinneringen bij me boven drijven en dacht met weemoed terug aan de afgelopen reis over de 'ZES INDONESISCHE EILANDEN'.

JAKARTA.

16 FEBRUARI T/M 6 MAART 1990.

Ik had nog twee weken eer ik op 6 maart weer naar Nederland terug zou vliegen. Het werden dagen van gewoon doen waar ik zijn in had. Aller eerst werden de filmrolletjes naar de ontwikkelcentrale gebracht. Intussen bezocht ik de art-market om daar nog iets van mijn gading te vinden. Helaas bleek dat bij het ontwikkelen van de filmrolletjes er twee, wat inhoud zo'n 75 opnamen, in de centrale belicht waren en zodoende verloren zijn gegaan. Wat ik toen heb gezegt, zal ik maar niet aan dit verslag toevertrouwen.


Zo leerde ik ook de familie kennen van mijn reisgezel, die me uitnodigden om naar Sibolga op Sumatra te gaan, maar dat hield ik even in beraad, daar ik nog steeds wat moe was van onze eigen reis. Zo ontmoette ik ook nog diverse medewerkers van me en moest ik dan hier en dan daar komen eten. Het weer in Jakarta was niet wat het moest zijn en er waren dagen bij dat het onophoudelijk regende met zwaar onweer.


Zo bracht ik ook weer een bezoek aan Sunda Kelapa, die oude haven van Jakarta, waar de Pinisi scheepjes hun laden losten van de omliggende eilanden. Zo moet het er in de tijd van de V.O.C. ook zijn geweest.
De laaste dagen was het inpakken van mijn bagage een hele klus en werd alles wat breekbaar was in de handbagage gepakt.
Intussen met diverse vrienden aan afspraak gemaakt voor een gezemelijk afscheids etentje en zo kwam er een einde aan deze fantastische vakantie in Indonesië.

Dinsdagmiddag 6 maart, werd ik door enige vrienden naar het vliegveld van Jakata gebracht waar het tijd werd om afscheid te nemen. Afscheid nemen is als een beetje sterven zegt men wel eens. Door een stroomstoring op het vliegveld, waardoor de computers waren uitgevallen, duurde het zeer lang eer ik ingecheckt was aan de balie. Het voordeel was dat er niet al te nauw op het overgewicht werd gelet. Nu was het echt afscheid nemen en ik moest beloven terug te keren naar het "Duizend eilanden rijk" of "De gordel van smaragd". Een belofte die ik deed, maar wanneer het zou zijn kon ik niet beloven.
In het KLM toestel ontfermde een vriedelijke stewardes zich over mijn breekbare handbagage, want daar had ze nog wel een apart plaatsje voor.
Via Singapore en Kuwait vlogen we naar Amsterdam, waar we om 06.30 in de ochtend veilig aankwamen. Het was wel wennen aan de winterse temperatuur de eerste dagen thuis.

vrijdag 23 september 2011

CIAMIS. en CIAMIS - BANDUNG - JAKARTA.

Woensdag 14 februari 1990. CIAMIS.

De regen hield ons deze ochtend binnenshuis en we brachten de tijd luierend door. Intussen werkte ik de hiaten in het reisverslag bij. Het was eigenlijk de rust, die ons deed beseffen, dat we vermoeider waren van het reizen, dan we gedacht hadden. Zo lieten we na onderling beraad het plan varen, om in de omgeving van Bandung nog wat rond te gaan zwerven en besloten de volgende terug te reizen via Bandung naar Jakarta.




In de middag nog wat rondgewandeld en een bezoek gebracht aan de kapper om mijn lange haren te laten knippen. Natuurlijk vergat ik niet enige doosjes sigaren voor mijn vader thuis te kopen die hij zo lekker vindt.
S'avonds werden we door de "Oom en Tante " uitgenodigd in een klein restaurantje wat te eten en het smaakte ons best. Ook weer bijtijds gaan slapen, daar het een korte nacht zou worden, daar om 06.00 uur de taxi naar Bandung ons af zou halen.



Donderdag 15 februari 1990. CIAMIS _ BANDUNG _ JAKARTA.

Het was ook voor mij een reeds bekende route die we met de taxi aflegden naar Bandung om daar op de trein te stappen naar Jakarta. Na een praatje kwam ik er achter dat ik toen de zelfde chauffeur had gehad.



In Bandung kochten we nu een eerste klas kaartje en wederom genoot ik van deze treinreis over smalle bruggen en diepe dalen met het afwisselende landschap.
In Jakarta overviel ons de hite en de zelfde drukte als voorheen en met een taxi bereikten we ons onderkomen bij vrienden. Vermoeid, maar veilig en gezond waren we terug gekeerd met de nodige vuile was, ervaringen, souvenirs en volle fotorolletjes. Na ons eerst goed gewassen te hebben en schone kleding te hebben aangetrokken gingen we met vrienden een biertje halen voor Happy Hour in de bar van Hotel Indonesia, waar we weer ander bekenden ontmoeten.
Ook mijn reisgezel keerde weer huiswaarts, maar we zouden elkaar de komende dagen nog vaak ontmoeten als goede vrienden.
Al met al werd het weer laat in de nacht eer ik eindelijk in mijn logeerbed lag.

AJIBARANG - CIAMIS.

Dinsdag 12 februari 1990.

Idit was al twee keer komen kijken of we al wakker waren deze ochtend, toen we hem ontmoeten opweg naar zijn huis. Na wat gegeten te hebben vertrokken we voor een wandeling tussen de sawa's door naar een kleine kampong, alwaar ze ze palmnektar palmsuiker maakten.
Het was een prachtige stralende ochtend en we genoten volop van de wandeling die we maakten. De mensen werkend op de sawa's zeiden ons allemaal vriendelijk gedag.




Na een kleine snelstromende rivier te zijn overgestoken via een brug die geheel uit bambu was gemaakt, klommen we omhoog naar de kampong die geheel verscholen lag tussen de klapperbomen. We bleven staan kijken hoe een van de bewoners in de boom omhoog klom om de nektar af te tappen en we kregen deze ook te proeven.






In de kampong passeerden we het lokale schooltje en bij het zien van de blanke vreemdeling in hun leefgemeenschap, liep de gehele schoolklas leeg en begonnen ze ons stapvoets te volgen onder het nodige onderlinge gekakel. Gelukkig had ik nog wat snoepgoed in mijn rugzak en dat was dan een hele verrassing voor ze toen ik dat uitdeelde.






Bij het huis aangekomen waar de palmsuiker werd gemaakt, werden we gastvrij ontvangen en uitgenodigd om binnen te komen, waarna we een glas half gekookte nektar te drinken kregen. De schaarse meubelen stonden gewoon op de hard aangestampte lemen vloer die vochtig aanvoelde, waardoor het binnenshuis ook koel was. het bereiden van de palm suiker, bleen een zaak te zijn van het langzaam inkoken van de palmnektar, totdat deze dik stroperig was. Hierna werd de dikke brei in kleine korte bambu kokers gegoten om af te koelen en hard te worden. Dit gebeurde allemaal in het achterhuis op zeer primitieve wijze. We kochten van de vrouw uit beleefdheid een paar stukjes palmsuiker. De warme nektar had ons nieuwe energie gegeven, voor een stevige wandeling terug naar huis via een andere weg, dan die we gekomen waren.





Deze keer staken we de kleine rivier over door onze schoenen uit te trekken en tot onze knieën door het water te waden, waarna we door een dicht bambubos naar huis wandelden.

Na een zeer smakelijke lunch en onze laatste bagage ingepakt te hebben namen we afscheid van Idit zijn familie en kregen een warme pakkert van zijn moeder.

Idit zou met ons meereizen naar de busterminal in Tengal, maar het geluk was weer eens met ons, daar een klein busje net mensen afzette die naar Yogya waren geweest en dat terug ging in de richting van Bandung en dat was via de plaats Ciamis die we aan zouden doen. We wisten een redelijke prijs overeen te komen en hadden het busje voor ons zelf, wat ons een heel gesleep met onze bagage bespaarde. Zo lieten we een zeer gastvrij Ajibarang achter ons na afscheid genomen te hebben van Idit en zijn vrienden.




De rit naar Ciamis liep door een afwisselend landschap, wat prachtig was om te zien en een zware regenbui bracht wat verkoeling onderweg. Ook in Ciamis werden we hartelijk ontvangen door de "familie" van mijn reisgezel en er werd gelijk een kamer voor ons in gereedheid gebracht. Na wat bijgepraat te hebben onder het genot van een kop koffie, deden we eerst onze vuile was wassen, alvorens ons zelf schoon te boenen. We namen de "familie" die avond mee uit eten, waarna we op de waranda van het huis moesten vertellen over onze reis. Vermoeid gingen we genieten van een lange en goede nachtrust.












donderdag 22 september 2011

AJIBARANG en omgeving.

Maandag 12 februari 1990.

Het was een koele ochtend na de regenbuien van afgelopen nacht. Na een zeer vroege en heerliijk klaar gemaakte lunch bij Idit thuis vertrokken we uit Ajibarang naar de "Flamingo waterval". Onderweg kwamen we de schoolgaande jeugd tegen, die vaak hele afstanden aflegden tussen hun thuis en de school.



Via smalle slingerende wegen en door heel kleine dorpjes reden we bergopwaarts. De natuur om ons heen was prachtig en wisselde steeds af. Zo viel het me op, toen we naaldbomen grens bereikten, dat aan de bomen hars werd afgetapt in bakjes. Deze hars bleek de grondstof te zijn voor het maken van natuurlijke terpetine. Ik had dit vroeger wel eens op school geleerd, maar was het weer vergeten. Onverwachts eindigede de weg naar boven en begonnen we aan onze wandelroute. Buiten Idit en de chauffeur, waren er nog een paar vrienden meegegaan op deze tocht. Via een moeilijk begaanbare soort trap daalden we bergafwaarts om even daarna via een slecht begaanbaar pad, bezaaid met enorme stenen, langs een snel stromende heldere kleine rivier weer omhoog te klimmen. De begroeiing was dicht en vol met bloemen en overal hoorde je de vogels zingen en zag je enorm grote zwarte vlinders vliegen. Hoe hoger we kwamen hoe koeler het werd.





Uiteindelijk zagen we in de verte de waterval, die als witte flamingo tegen de groene achtergrond afstak. Hoe dichter we de waterval naderden hoe harder het begon te waaien en de waternevel dichter werd. Het was door het naar beneden stortende water, wat een diep gat had geslagen in de rotsbodem, moeilijk elkaar nog te verstaan. De waterval veroorzaakte een stevige luchtstroom en het duurde ook niet lang of we waren drijfnat van de nevel. Er was ook nog een zeer smal sterk omhoog slingerend pad naast de waterval, maar dat bleek zo goed als onbegaanbaar te zijn geworden en we het veiliger vonden niet omhoog te klimmen. Ze vertelden me dat ik pas de tweede buitenlander was, die er was geweest. Verder op in de snelle klare stroom waren vrouwen bezig met het wassen van kleding.





Het was dan ook een prachtig stukje ongerepte natuur, wat gelukkig nog niet door de reisbureau's was ontdekt.
We vervolgeden onze weg naar de plaats Baturaden, bekend om zijn appeltjes en waar ik eens eerder was geweest en daar tracteerden we de hele ploeg op een verfrissing. De gehele tocht hadden we een goed uitzicht gehad over het landschap, vanuit de laadbak van de open pick-up, waarin we voor wat beter zitcomfort de houten bank van de waranda hadden neer gezet.
Op de terugweg kocht ik in Banyamas een aarden drinkwaterkruik voor een paar gulden, zoals Idit zijn moeder gebruikte aan tafel en het water heerlijk koel blijft en om hem heel te vervoeren nog een rieten mandjes voor een paar rupia. Nu was het afwachten of ik hem nog heel in Nederland zou krijgen.



( Een eendenhoeder keert met zijn eenden van de sawa terug naar huis.)

Eenmaal weer thuis haalden we de zwenkleding tevoorschijn en gingen naar het zwembad, wat eens lang geleden was aaggelegd door een Nederlandse legerofficier en wat gevoed werd met bronwater. Het was klaarhelder en koel water, waarin ook vissen zwommen en we genoten er van voor 30 cent entree. Het was zeker heel lang geleden dat er een 'tuan belanda' er gebruik van had gemaakt, want ik had het nodige bekijks. Na ons in een nabij gelegen bron heerlijk gewassen te hebben, zoals de lokale bevolking het deed, keerden we schoon en verfrist weer huiswaarts, alwaar een ekurig gedekte tafel op ons wachte.
De moeder van Idit had met recht een overheerlijke hap eten klaar gemaakt voor de hongerige troep en daar genoten we volop van. Zelfs de zoetwatervis, waarvan ik zelf niet zo'n liefhebber van ben, deed ik eer aan en we staken onze lof dan ook niet onder stoelen of banken. We moesten toen nog meer eten en Idit zei; "Ibuh is het gelukkigt als iedereen genoeg heeft gegeten en voldaan is". Het is een krans op haar werk begrepen we.
Het regende die avond weer eens behoorlijk, waarbij het zo afkoelde dat we een trui aantrokken tegen de kou. De lokale arak hielp ons de kou te verdrijven en was tevens een goed slaapmutsje. We besloten, onder veel protest van Idit, om de volgende dag door te reizen naar Ciamis waar mijn reisgenoot nog familie had wonen. We hadden uit dank voor de geweldige gastvrijheid, die we hadden mogen genieten, voor Ibuh nog een mooie lap stof gekocht, waar ze een jurk uit kon maken.
( PS. De kruik is heel aangekomen in Nederland en bestaat nog steeds.)

YOGYAKARTA - PUWERKORTO - AJIBARANG.

Zondag 11 februari 1990.

Bijtijds opgestaan om na het ontbijt en afgerekend te hebben met een becak naar het busstation te gaan om daar de bus te nemen naar Puwerkorto. Ons uiteindelijke reisdoel was de plaats Ajibarang, waar een oud medewerker Idit woont die ik ook beloofd had gedurende mijn rondreis hem en zijn familie te bezoeken. Ook bij dit bezoek liepen we achter op het schema en was het afwachten of hij thuis zou zijn.


Het was in het begin van de middag , toen we na een lange en intressante busreis op het busstation van Puwerkorto aankwamen en we eerst wat gingen eten alvorens onze reis weer voort te zetten. Als Idit niet thuis zou zijn, zouden we gelijk doorreizen naar Ciamis.
Na het eten was het even zoeken naar de minibus die Ajibarang zou rijden en het was een prachtige groene route die we aflegden. Het weer zat ons niet mee en het regende dan ook regelmatig, maar zelf bleven we gelukkig droog. Zo was het intussen ook droog toen de bus ons afzette in Ajibarang. Idit had me precies uitgelegd waar hij woonde, maar eenmaal ter plaatse bleek het anders uit te pakken, dan in de theorie.

We vroegen de weg naar de straat in een klein restarant en dat bleek een probleem te zijn, want straat namen zei de mensen niets. Toen schoot me te binnen wat Idit had gezegd; "Als je het niet kan vinden, dan vraag je gewoon naar Idit". Zo gedacht en zo gedaan, ja Idit, die wisten ze wel te wonen en plotseling ontfermde een jongen zich over onze bagage en verzocht ons met hem mee te gaan. Het bleek later een goede vriend van Idit te zijn die had gehoord dat wij zouden komen. Na stevig op de huisdeur aangeklopt te hebben, verscheen er eerst een meisje, wat een zus van Idit bleek te zijn en die Idit uit zijn middagslaapje haalde.
Baas zie hij; "je moet me ook altijd wakker maken. Is het niet dat er werk is , dan zelfs hier thuis". Het werd lachend in het Engels gezegd en we waren van harte welkom. Onder het genot van een verfrissing werd er eerst op de waranda van het huis wat bijgepraat en mijn reisgezel en Idit konden het gelijk goed met elkaar vinden en lachten wat af. Uiteindelijk vroeg ik ze om toch maar weer even in het Engels over te gaan, daar het merendeel me een beetje ontging.
We werden in een klein logement ondergebracht daar er thuis geen ruimte ov er was om ons onder te brengen, daar ze zelf ook gasten hadden. Ondertussen werden we aan zijn ouders en overige familieleden voorgesteld. Hij, zijn vader, was een echte stuge Javaanse ex-militair en dat straalde hij ook uit, maar zijn moeder was een enorm hartelijke warme vrouw. We moesten haar dan ook beloven, steeds bij haar te komen eten, zolang we in Ajibarang waren.
Zo werd het snel avond en na een overheerlijke avondmaaltijd, die we goed eer aandeden, gingen we in het restaurantje, van een Oom van Idit, nog wat drinken op het leuke weerzien. We moesten dan ook de nodige handen schudden ter kennismaking.
De volgende dag zouden we de omgeving gaan bezichtigen en Idit zou voor transport zorgen. Niet te laat gingen we vermoeid naar ons bed en vieledn in slaap met het ritme van de regen.

woensdag 21 september 2011

SURABAYA - YOGYAKARTA.

Zaterdag 10 februari 1990.

Gelukkig had ik de vorige dag een groot deel van onze bagage ingepakt, zodat we daar deze ochtend snel mee klaar waren en op ons gemak konden ontbijten. Bij het afrekenen ontdekte ik een slim verborgen fout in onze hotel rekening, die dan ook zonder meer verwijderd werd. Hierna namen we een taxi naar het treinstation waar het een drukte van belang was en dringen voor de loketten om een kaartje te bemachtigen. We hadden besloten om de ochtend trein te nemen, om zodoende wat van het landschap te kunnen zien waar we doorheen reisden. Het was zodoende dan wel derde klas reizen. Een andere trein waarin de 2de en de 1ste klas zaten, reed de route alleen sávonds. Uiteindelijk maakten we deze reis om wat van land te zien.
We hadden een redelijke zitplaats en voldoende ruimte voor onze bagage weg te stouwen. Het was 08.15 uur toen onze trein uit Surabaya vertrok en het was met rec ht een boemel die overal stopte. Vaak was er zelfs geen stationnetje te bekennen bij zo'n stop en ook was men overal aan de spoorlijn aan het werk en bij zo'n stop trachten weer mensen in - of uit te stappen.




Zo stonden we plotseling stil na het langzaam passeren van een spoorwegovergang. Er bleek iemand onder de trein te zijn gekomen, die getracht had er op te springen om gratis mee te kunnen reizen. Hij had dus bekijks genoeg gehad, bij zijn laatste (mislukte) poging in het zwartrijden. Al met al stonden we er ruim een uur voor stil.
Slingerend reed de trein door het afwisselende landschap, waarvan ik volop genoot en mijn reisgenoot bekeek intussen de achterkant van zijn oogleden. Een plaag bij ieder stop die we maakten, waren de venters die de trein overspoelden in grote hoeveelheden en dat was weer extra aandacht voor onze bagage.


Soms passerden we een trein die tijdelijk op een zijspoor stond en waarop en aan de passagiers hingen. Geen wonder dat er zo nu en dan een of meerdere doden vielen.
Tegenover zat een oude vrouw met haar dochter en we hadden ze een handje geholpen met het opbergen van hun enorme hoeveelheid bagage boven de zitplaatsen en als dank probeerde ze ons steeds wat te eten aan te bieden uit de uitgebreide hoeveelheid potjes en pannetjes die ze bijzich had, maar we wisten het beleefd steeds af te houden. Mijn reisgezel had getracht het aantal stopplaatsen te tellen maar daar stopte hij maar mee en sukkelde weer lekker in slaap, want slapen kon hij overal, een ware gave.
We hadden treinkaartjes gekocht tot de plaats Puwerkerto op midden Java om vandaar naar Ajibarang te reizen, maar toen het al 17.15 uur was eer we in Yogyakarta waren en pas ongeveer de helft van de reis hadden afgelegd, besloten we maar in Yogya uit te stappen en daar te overnachten. Het was zoal een vermoeide reis geweest en zouden anders gebroken midden in de nacht in Purwerkerto aan zijn gekomen.

Een paar "hotelpremiejagers" boden ons transport aan met een busje van het station naar de stad om daar een logement te vinden. Ze hadden ons een folder laten zien en het had er goed en niet duur uitgezien, maar aldaar aangekomen was er geen kamer naar onze wens vrij. Plotseling mengde er iemand, met een duidelijk accent uit de Randstad, zich in onze discussie en bracht ons even later naar een logement, na er eerst naar toe gebeld te hebben of er plaats was, waar ze zelf ook logeerden. Zo belanden we in Geust House Wisma Gajah.



Het was een zeer rustig gelegen logement, met nette schone kamers voorzien van airco en stromend warm- en koud water. Er achter lag een klein zwembad met het restaurant van het logement. De prijs was redelijk en viel ons erg mee.
Na het nodige reisvuil van ons afgewassen te hebben, genoten we eerst van een koele pot bier, alvorens de stad in te gaan om daar wat rond te kijken en later een hapje te eten. Het was even zoeken naar het ons reeds bekende restaurant in het centrum. Tijdens ons diner hoorden we de reden waarom het zo druk was in de stad. Het was vanwege de 'Borobudur Walk' die de volgende dag, zondag, zou worden gehouden.
Na het goede diner wandelden we nog wat rond, maar namen uiteindelijk een koetsje terug naar ons logement. In het kleine zaakje waar we eerder een biertje hadden gedronken, speelde nu een kleine band rustige lokale muziek en zodoende bleven we er nog een tijdje zitten onder het genot van een drankje.

Zo rees ook de vraag, "wat doen we morgen; blijven we in Yogya of reizen we verder"? Op mijn eerste reis door Indonesië, "Java - Bali overland", had ik Yogya al uitgebreid aangedaan en zodoende van de stad en omgeving al het nodige gezien. Dus besloten we, ook vanwege de enorme drukte om maar verder te reizen naar Ajibarang. Na deze lange en vermoeiende dag en ook door de goede drankjes die we gedronken hadden, vielen we dan ook moeiteloos in een diepe slaap.


dinsdag 20 september 2011

SURABAYA.

Vrijdag 9 februari 1990.

Surabaya, de hoofdstad van Oost-Java en met meer dan twee miljoen inwoners de grootste stad van Indonesië na Jakarta. Mensen blijven er naar toe trekken door de aldaar gevestigde industriën en de enorme haven terreinen, want het is wel de grootste havenstad van Indonesië.
Nieuwe moderne gebouwen domineren het centrum van de stad en nemen de plaats in van de eens dicht op elkaar gepakte huisjes met de smalle steegjes. Het was opvallend hoe veel er in de binnenstad aan de groenbeplanting langs de brede wegen werd gedaan om alles een vriedelijker aanzicht te geven, maar vooral om het zuurstof gehalte in de lucht te verbeteren.



( Kali Mas de rivier die door Surabaya stroomt, maar stinkt als een beerput.)


Ondanks de regenval van afgelopen nacht, was het erg benauwd in de drukke stad en plakte je kleren van het zweet aan je lichaam. We trachten een gedeelte van de vroeger zo bekende antiekmarkt terug te vinden, maar alles wat er over was, waren een paar nauwe straatjes met een paar winkeltjes. De rest had al plaats moeten maken voor de stadsvernieuwing. We zagen een paar oude mooi bewerkte houten kisten met koperbeslag die zeer redelijk in prijs waren, maar te groot om zelf te vervoeren. Zo viel mijn oog op een stuk gebruiksvoorwerp, wat uit hout gesneden was en uit Kalimantan (Borneo) bleek te komen. Het was dan wel niet zozeer antiek, maar wel uniek en was zelfs als zitje te gebruiken. De eigenaar van het winkeltjes vroeg er zonder blikken of blolzen 300.000 rp. voor en dat was echt te gortig. Na veel heen en weer gepraat daalde de prijs tot 250.000 rp. wat ons nog te veel was en we vertrokken. Na deze nutteloze handelsactie gingen we naar de (toen) grootste dierentuin van Zuid-Oost Azië.


Er was een ruime collectie aan dieren, maar hun onderkomens zagen er allemaal erg verwaarloosd uit en evenzo de wandelpaden die in zeer slechte toestand waren. Het aquarium wsas mooi om te zien, althans de vissen. Maar het meest genoten we wel van de apen die al spelend verkoeling zochten in het omringende water. Een goede reorganisatie was hard noldig in deze dierentuin. De drukkende warmte werkte vermoeiend en afmattend en zo waren we vroeg terug in het hotel voor een siësta.

Bij het vallen van de avond koelde het gelukkig wat af en alvorens te gaan eten wandelden toch nog even langs de winkel om alnog een koop te trachten voor het houtsnijwerk. Tot onze stomme verbazing was er geen rupia meer van de prijs af te krijgen. "Dan eten ze het maar op als ze honger krijgen", was mijn opmerking. Na in het Hyat-Hotel wat gedronken te hebben gingen we voor de verandering maar eens een hapje eten in een nabij gelegen klein Frans restaurantje "Ches Rose". Het zag er allemaal keurig verzorgd uit in de zaak en ook de gerechten die we bestelden werden keurig geserveerd en smaakten ons uitstekend.


In het restaurantje speelden enige Batak muziekenten en zong een zangeres heel aardig klinkende Franse chansons. Later werd er op ons verzoek nog enige Batak liedjes gespeeld. Langzaam werd het tijd om terug te gaan naar ons hotel, daar we de volgende dag een zeer lange treinreis voor de boeg hadden, die ons naar Centraal-Java zou brengen.


maandag 19 september 2011

SUMENEP - KAMAL - SURABAYA.

Donderdag 8 februari 1990.

Ondanks, dat we vroeg bij het busstation waren, waren de meeste zitplaatsen in de bus naar Kamal al bezet en vonden we na enig plaatsverwisselen een zitplaats in het midden van de bus.
De chauffeur nam onderweg ook steeds weer nieuwe passagiers mee en soms meer dan het aantal zitplaatsen en die dan opeen gepakt in het gangpad stonden en op de vloer moesten gaan zitten als er een politie controle langs de weg stond. Het zal wel de bijverdienste van de chauffeur geweest zijn.


( Vrouwen verkopen potten van aardewerk langs de weg.)

We reden via de zuidelijke kustweg terug naar Kamal en na Pamekasan werd het bekend terrein voor ons. In de drooggevallen kreken langs de weg lagen de nodige vissersscheepjes te wachten op hoog tij om weer uit te kunnen varen.


We waren mooi optijd voor de veerboot en terwijl de bus stond te wachten om aan boord te gaan, werden we belaagd door een niet stoppende massa venters. Je moest je bagage heel goed in het oog houden en je hand op je zak, want terwijl de één zijn koopwaar staat aan te prijzen en je aandacht opeist, plukt één ander snel je spullen weg. Het was een waar gekkenhuis.
Een gedeelte van hen verstopte zich in de bus om zo als een soort verstekeling over te steken met de veerboot naar Surabaya, maar werden ze gesnapt dan kende de politie geen zachtaardig pardon.



Eenmaal in Surabaya gingen we alleen terug naar het Brantas-hotel om onze bagage op te halen, met het smoesje, dat ons reisschema veranderd was. Zo zochten we naar een ander onderkomen zonder muggen en teminste stromend warmwater, en als het kon ook nog airco, daar het bloedje heet was in de stad. Zo kwamen we dan uiteindelijk in het Cindana-Hotel terecht, wat redelijk in het centrum lag van de stad.




Na een heerlijk warmbad, nadat we uiteindelijk onze handdoeken hadden gekregen en waar we voor moesten tekenen, lieten we door de roomservice al onze vuile was meenemen en dat was zo goed alles wat we bij ons hadden.


Na een paar uurtjes rust te hebben genoten, was het intussen avond geworden en liepen we de stad in om wat rond te kijken en een hapje te eten. In een enorme supermarkt kochten we een slokje en wat te knabbelen voor die avond in onze hotelkamer, daar de kwaliteit van het eten ons deze avond zwaar was tegen gevallen. Op ons gemak wandelden we terug naar het hotel, terwijl in de verte de hemel regelmatig verlicht werd door de bliksem van het naderende onweer.


We waren dan ook maar net optijd terug in het hotel of de bui barste in alle hevigheid los. Het bleef de gehel nacht zwaar doorregenen.


Moe van de Madura reis vielen we weldra in slaap na besloten te hebben om nog een dag in Surabaya te blijven.



































zondag 18 september 2011

PAMEKASAN - WARU - PASEAN - SUMENEP.

Woensdag 7 februari 1990.

Na een verkwikkende nachtrust en de nodige energie te hebben opgedaan vertrokken we na een zeer mager ontbijt met een fietstaxi naar het busstation. We hadden intussen besloten niet via de zuidelijke eiland route naar Sumenep te gaan, daar we deze weg op de terugweg te zien zouden krijgen en kozen er dus voor het eiland dwars over te steken en de noordelijke route te nemen. Voor deze tocht moesten we drie keer van vervoersmiddel wisselen.
Met het eerste busje reden we door een mooie iets bergachtige streek naar Waru. Het was aan de natuur goed te merken, dat we noordwaarts gingen, want de gehele begroeiing veranderde ziender ogen en het land zag er steeds armoediger uit.

In Waru moesten we naar een ander vervoersmiddel uitkijken, daar ons busje niet verder bleek te gaan, wat niet de afspraak was en we eisten dan ook prompt een gedeelte van ons geld terug, wat we tot mijn stomme verbazing nog kregen ook. We betaalden hiermee gelijk de chauffeur van een klein vrachtwagentje die ons dan ook verder mee liet rijden achter in de laadbak tussen zijn lading, die varieerde van spiegels tot manden met kokosnoten en groenten. Zo hobbelden we dan met zeggen en schrijven verder richting de noordkust en de plaats Pasean.






In Pasean bleek het markt te zijn en was het een enorme drukte, wat wel een kleurrijk geheel was. We keken er wat rond en zochten ondertussen naar een nieuw vervoersmiddel wat ons naar Sumenep zou brengen.



Van onze nieuwe chauffeur kregen we een plaatsje voorin het busje aangeboden, maar we hadden net zo goed voorop de bumper van een race wagen kunnen gaan zitten, want die vent reed alsof de duivel hem op zijn hielen zat. Intussen waren we al verscheidene keren gestopt en was het aantal passagiers opgelopen tot zesentwintig. Alles zat zo op elkaar gepakt, dat ik een klein kind op mijn schoot nam. Gelukkig moest hij nu om zijn motor niet over de kop te draaien, wat langzamer gaan rijden.

De noordkust had een prachtig wit strand met duinen en palmen. Het deed een beetje denken aan de Noord-Afrikaanse Middelandsezee kust. Het was heel anders dan de zuidkust van het eiland, wat echt zo groot niet is, maar het had zijn eigen charme. Toen we afbogen naar Sumenep, wat op het oostelijke deel van het eiland ligt, werd de begroeiing weer wat dichter en groener.



In de voormiddag en in de gietende regen bereikten we Sumenep en wisten er onderdak te vinden in Losmen Wijaya II.
Na het vuil van de reis van ons af gewassen te hebben en de inwendige mens te hebben verzorgd gingen we de stad verkennen. Alhoewel het intussen droog was geworden namen we voor alle zekerheid onze regenkleding mee daar het vrij koel bleef. De oude Portugese invloed was hier nog zeer duidelijk te zien in archtectuur van de huizen.
Veel oude huizen hadden nog de Portugese-Madurese bouwstijl, gebouwd met een uitlopend dak, dat ruste op romeins aandoende witte zuilen. Het was verder een rustige stad en gaf een schone indruk.
De ingang van de moskee leek meer weg te hebben, van de resten van een toegangs poort van een oud Portugees fort. De smalle oude straatjes waren rustiek.


We bezochten de oude kraton (sultanpaleis) met zijn taman sari, de tuin van plezier. Volgens de vertellingen zat de sultan meestal onder het afdak van het torentje boven de ingangspoort en hiervandaan kon hij precies in het, in de taman sari, gelegen vrouwenbad kijken. Zodoende kreeg het torentje de bijnaam van; "het torentje van de glimlach".





Nu zwommen er vissen in, inplaats van mooie vrouwen. Het geheel werd nog steeds gerestaureerd en de kraton werd als gemeentelijke vergaderplaats gebruikt. In het nabij gelegen kleine museum, wat was ondergebracht in de voormalige paardenstallen, bezichtenden we nog enkele bewaard gebleven kunstschatten, zoals meubelstukken, wapens en gebruiksvoorwerpen uit de vergane glorie.



De regen dreef ons via de markt weer terug naar ons logement, waar we ons na het avondeten op ons terras voor de kamer te goed deden aan een fles lokale wijn en namen het besluit om de volgende dag via de zuidkant van het eiland terug te reizen naar Kamal en over te steken naar Surabaya.



BANKALAN - SAMPANG - PAMEKASAN.

Dinsdag 6 februari 1990.

De zon straalde ons tegemoet deze ochtend en we maakten ons zo snel mogelijk gereed voor onze tocht over Madura. Zo gingen we eerst terug naar Bankalan om daar op de bus te stappen en reden daarna over de zuidelijke kant van het eiland naar Sampang, waarna het via de kustweg verder ging om dan weer in noordoostelijke richting af te slaan naar Pamekasan.


De bus stopte overal en nergens en zodoende waren we goed in de gelegenheid om de omgeving op ons gemak te bekijken. Aan de kust hadden ze, in een stuk dat droog kwam te liggen bij eb, weer bomen aangeplant voor het verkrijgen van pokhout. Zo nu en dan hadden we een klein regenbuitje aan de zuidkant van het eiland, waar het redelijk vlak was en erg groen. Het eerste wat we opzochten in Pamekasan was een restaurantje om wat te eten te krijgen en dat bleek niet mee te vallen zo in de middag. Uiteindelijk werden onze magen gevuld en gingen we eerst op zoek naar een hotelletje om er de komende nacht te overnachten. We waren nu zo'n 100 km. van de plaats Kamal verwijderd. In de maanden augustus en september worden hier altijd de bekende buffelraces gehouden en is het druk van de toeristen, maar nu was er amper een kip op straat te bekennen. Zo vonden we een hotel, wat nog uit de koloniale tijd stamde en kregen een kamer geschikt voor vier personen.




Met lokaal transport gingen we naar een plaats, waar een natuurlijk aardgas vuur brandde "Api Abadi". De legende verteld, dat het vuur komt uit de mond van een gevonniste reus die door de goden gestraft is. Het was dan ook weer een "heilig" vuur voor de bevolking. De jeugd gebruikte het heilige vuur om er maiskolven op te roosteren voor de verkoop. Even verder lagen warmwaterbronnen en de omgeving stonk er erg naar zwavel.

Intussen was het warmste moment van de dag voorbij en keerden we terug naar de stad, daar de winkeltjes en de markt intussen ook weer open zouden zijn. Zo bezochten we een klein bedrijfje waar de Madura batik werd vervaardigd, maar we vonden de vraagprijs voor deze doeken veel te hoog en er was niets af te pingelen.
Voor het avondeten vonden we een klein chinees restarantje, wat tevens een winkeltje was, en de eigenaar bereide zelf de door ons bestelde gerechten. Het smaakte ons zeer goed en deelden hem dat ook mede bij het afrekenen. Het was intussen in de winkelstraat goed druk geworden en opweg naar ons hotel, Garuda, kochten we een fles angur (lokale wijn) om deze op ons gemak leeg te maken alvorens te gaan slapen. We hadden die nacht dan een enorme kamer van zes bij zes meter, vier meter hoog, met vierbedden en twee stoelen tot onze beschikking. Een feit was zeker; het was er zeer koel, wat zeer goed deed slapen die nacht.

zaterdag 17 september 2011

SURABAYA - MADURA.

Maandag 5 februari 1990.

Het was drie uur in de vroege ochtend toen de muggenplaag me teveel werd en ik de receptionist achter de hotel-balie vandaan haalde om onze kamer een grondig muggenvrij te spuiten. Mijn linker wang was dik opgezet van de beten en mijn reisgezel was er niet veel beter aan toe. Het was zo geen slapen meer. Men ging behoorlijk met de spuit tekeer en we bleven dan ook ruim een uur op de waranda buiten zitten om zelf niet om zeep te gaan.
Toen we uiteindelijk de kamer weer betraden, lagen er overal op de geest gevende muggen op de vloer, die we dan ook maar een handje hielpen naar het hiernamaals te keren. ( hopenlijk hebben die krengen dat niet). Wat achterbleef waren onze eigen bloedvlekken op de witte tegels. Het was een nacht met zeer weinig slaap geworden, ondanks de goede voornemens.

Een grootdeel van onze bagage konden we bij de hotel-balie in bewaring achterlaten, zoldat we dat niet mee dienden te nemen op onze Madura reis. Na eerst de bushalte gezocht te hebben, vertrokken we met de bus naar de aanlegplaats van de veerboot naar Madura. Het was er onvoorstelbaar druk en we konden niet bij de kassa komen om een bewijs voor de overtocht te kopen. Onverwachts kregen we hulp van een heer, die zelf op Madura woonde en schijnbaar wat in de melk te brokkelen had, daar een ieder plaats voor hem en ons maakte en zo kwamen we alsnog aan boord. Tijdens de overtocht naar het eiland, die zeer traag verliep, verzamelden we de nodige informatie hoe we het beste onze bestemming konden bereiken en dat was een klein plaatsje enige kilometers van Bankalan verwijderd. Ook hierbij was de heer ons zeer van dienst. In het dorpje woonde een oud medewerker van me en ik had hem vanuit Jakarta een berichtje gestuurd dat ik aan zou komen.

MADURA.

Na aankomst te Kamal, de haven, nam,en we de bus naar Bankalan, de hoofdstad van Madura, om bij de busterminal over te stappen op een minibusje naar het dorpje waar Sukran woonde. Gelukkig kende onze chauffeur de familie en werden we voor het woonerf afgezet. Het was ons al opgevallen dat de Madurezen zeer slecht de Indonesische taal beheersen en over het Engels maar niet te spreken. Hun voertaal is het Madurees.
We werden ontvangen door de moeder van Sukran die gelijk de buurjongen er op uit stuurde om Sukran op te sporen. Ze hadden mijn berichtje ontvangen, maar alleen was de datum wat later geworden dan ik had opgegeven. Terwijl we buiten op het erf onder een boom in de schaduw op een "tampat tidur" zaten te wachten, werden we van de nodige lekkernijen voorzien, waaronder heerlijke verse ananas. Het was voor Sukran die even later arriveerde een hele verrassing, dat we als nog gekomen waren en we moesten gelijk meer de omgeving bekijken. Mijn reisgezel verkoos het om een tukje te doen op de "tampat tidur" onder de boom.

Via allerlei smalle weggetjes tussen de landerijen door kwamen we in een kampong terecht vlak aan zee. Men was er druk bezig met het roken van de gevangen vis en ik werd aan iedereen voorgesteld die we maar tegen kwamen. Strand was er niet aan de zee, maar wel veel mangrove beplanting met er tussen watergeulen gevormd door het getij. Na weer terug gekeerd te zijn bij de woning kregen we te eten en werd ons aangeboden om daar te overnachten, wat we graag accepteerden.



Na het eten reden we naar Arasbaya, wat dichterbij bleek te liggen dan Bankalan, en vandaar was het ruim een kilometer lopen naar Air Mata, waar de koninglijke graftomben lagen van Cakraningrat. De plaats lag op een punt van een ravijn, vanwaar uit de riviervallei goed was te overzien. Air Mata betekend tranen. Het waren prachtig bewerkte stenen graftomben van nhet oude koninglijke geslacht van Rata Ibu.


In een overvol busje reden we weer naar huis en nma wat gegeten te hebben vertrokken we met een hele groep, vrienden van Sukran, op en achterop de motorfiets naar Bankalan. De wegen waren redelijk goed, maar enige straat verlichting was nergens te bekennen. Na in Bankalan wat rond gewandeld te hebben en een potje bier te hebben gedronken, waar ze niet vies van waren, kochten we bij een toko nog wat flessen bier en arak en de nodige snacks om deze bij Sukran thuis op de waranda met de vrienden ploeg op te maken. Sukran vertelde, dat zijn vader ergens op zee, als bootsman, was en zodoende niet thuis was.
Terwijl we daar van de tropische avond zaten te genieten, werd het steeds drukker om ons heen van de lokale bewoners, die de blanke tuan en de andere gast wel eens wilden zien. De vrouwen hielden zich sterk gescheiden van de mannen en het was erg jammer, dat het zo moeilijk was om een gesprek te beginnen, daar de meesten alleen Madurees spraken. Zo werd het tijd om naar bed te gaan en gelukkig was onze kamer reeds muggenvrij gespoten. De volgende dag zouden we verder reizen over het eiland.


MADURA.

Madura is een eiland ten noorden van Oost-Java, waartoe het geographisch ook behoort. Het eiland, iets kleiner dan het eiland Bali, heeft een oppervlakte van 5250 km². een totale lengte van 160 km en is op zijn breedst 30 km.
Het eiland is vulkanisch en heeft veel warmwater bronnen. Mudura is vlak met een laagland aan de zuidelijke zijde en in het noorden een rij van zandduinen.
Madura werd in de ijstijd van Java gescheiden. Ten oosten van het eiland ligt de Sapudiarchipel, waarvan het eiland gescheiden wordt door Selat Sapurdi.
De Madurezen hebben een eigen taal, het Madurees.




De bevolking leeft van de visvangst, klein schalige tuinbouw ( o.a tabak en kruiden) en fruitteelt. De Madurees staat bekend om zijn opvliegend en temperament vol karakter, energie en drift, wat vaak op messentrekkerij uitloopt.


Heel bekend op Madura zijn, in april tot augustus, de lokale buffelraces. Madurese batik in de donkere kleuren rood-bruin is zeer fraai met afbeeldingen van waterdieren, maar ook zeer duur in aanschaf.


Uit de Madurese keuken is vooral bekend de sate-ayam (kip-sate) en de soto-Madura een rijk gekruide kippensoep.


donderdag 15 september 2011

KUTA. en KUTA - SURABAYA.

Zaterdag 3 februari 1990.



We hadden voor deze dag geen vast programma en besloten er een luië dag van te maken. Diverse winkeltjes bezocht en twee leuke uit hout gesneden maskers gekocht en uiteindelijk weer naar het strand gegaan.

We moesten een omweg maken naar het strand daar de straat was afgezet in verband met een crematie die plaats zou vinden op een speciaal deel aan het strand en het was er een drukte van belang.







Op een afstand het geheel maar eens bekeken met de wind in de rug, want het rookte behoorlijk. Even later kwamen we ook Hans en Cecile tegen die ons uitnodigden voor een koele druk in een klein strandrestaurantje. De rest van de dag was het luiëren en zwemmen.

Na het diner van die avond, wat best smaakte na een dag zon, wind en water, was het nog een slaapmutsje nemen bij Hans ter afscheid, daar we de volgende dag naar Surabaya zouden vertrekken.



Zondag 4 februari 1990.



Op ons gemak de bagage ingepakt en aan het strand een lichte lunch gebruikt. Het waren een paar mooie zonnige dagen geweest op Bali.

Te 17.30 uur vertrokken we met het vliegtuig naar Surabaya op het eiland Java, waar we met een uur tijdsverschil te 17.25 uur aankwamen. Het koste ons veel moeite om een taxi naar de stad te krijgen en later ook om daar een slaapplaats te vinden tegen een redelijke prijs. Uiteindelijk kwamen we in hotel Brantas terecht, wat er op het eerste gezicht redelijk uitzag. Na ons wat te hebben opgefrist vonden we op onze wandeling een klein restaurantje aan de rivier oever, alwaar we voor weinig geld toch zeer goed en smakelijk te eten kregen.

Aangezien we de volgende dag van plan waren door te reizen naar het eiland Madura gingen we bijtijds naar bed. Van slapen kwam pas wat na een zeer intensieve jacht op de nodige muggen.

woensdag 14 september 2011

OOST-BALI TOUR.

Vrijdag 2 februari 1990.

Het beloofde goed warm te worden deze zonnige dag. Waan die gereed stond met het minibusje vertelkde ons, dat voordat wij op Bali aangekoimen waren, het iedere middag zaar had geregend en dat het gisteren pas de eerste droge dag sinds weken was geweest. We hadden zeker een goede invloed op de weergoden of ze vonden dat we al genoeg regen hadden gehad.
We wilden eerst naar het plaatsje Candidasa rijden om daar eens polshoogte te nemen, wat logement, de prijs en ligging aanging.


Te Goa Lawah maakten we een stop en bezochten er een grot vol met vruchten etende vleermuizen. In de grot zelf was een hindu tempel geplaatst. Het plafond en de anden hingen vol, beter gezegd "zagen zwart", van de vleermuisjes welke piepten, vreselijk stonden en voortpaarden, dat het niet mooi meer was. Hierna verder gereden naar Candidasa.



Candidassa was eens een klein vissersdorpje, maar nu staat er logement na logem ent aan het strand gebouwd. Het was er rustig en de prijzen waren er ook redelijk, maar het min punt was, dat je ruim 65 km van het vliegveld verwijderd was en dat het strand meer stenen had dan zand. We genoten er, met het geluid van de zee op de achtergrond, van een goede en smakelijke lunch, waarna we onze tocht voort zetten. We reden een stuk verder langs de kust om dan af te slaan in de westelijke richting landinwaarts naar de plaats Tirtagangga.



Alhoewel het wegdek hier en daar wel te wensen overliet genoten we van het landschap en stopten op z'n tijd om een opname te maken. In Tirtagangga bezochten we de oude koningsbaden, maar het mooiste waren de rijstvelden om te zien.






Via Selatan en Salat zetten we onze landschap tour voort om bij Muncan weer teru te keren, daar de weg te slecht was om met het busje verder te rijden, wat met een jeep nog mogelijk was geweest. Bij Salad reden we weer zuid-westelijk naar beneden via de plaatsjes Iseh en Sideman in de richting van Klung Klung en vandaar naar Gianyar.




In Gianyar stroopten we de daarbij gelegen plaatselijke houtmarkt af en andere handwerk winkeltjes. Het resultaat was een niet al te grote gevlochten mand met deksel en een paar leuke stukjes houtsnijwerk voor een zeer lage prijs, die we bereikten door het nodige afdingen.
Langzaam reden we terug naar ons verblijf in Kuta.

Nadat we Wayan met de chauffeur hadden laten afrekenen gingen we eerst naar het strand en maakten we een lange wandeling tijdens de zonsondergang, waar we goede eetlust aan overhielden. We maakten het deze avond niet te laat, daar we wat achterstallige slaap wilden inhalen.