vrijdag 27 mei 2011

AFSCHEID en KAARSLICHT.

Afscheidnemen is als zelf een beetje sterven.
Het afscheid nemen van iemand die overleden is.
Maar ondanks, dat de dood iets van je weg heeft genomen wat je lief had.
Kan de dood niet je herinneringen weg nemen.
Herinneringen die met je voort blijven leven.

Zo namen wij ook afscheid van haar op 89 jarige leeftijd, nadat acht jaar eerder haar man was overleden.


Haar leven was als een kaars die licht en warmte gaf. Een kaars die de laatste jaren regelmatig begon te flakkeren alsof ze uit zou gaan.
Steeds weer wist het vlammetje weer voeding te vinden om weer licht te geven.
Acht dagen voor haar overlijden kreeg ze een beroerte. Deze deed haar linkerzijde verlammen en ook slikken kon ze niet meer.
Ze had reeds eerder aangegeven niet meer naar het ziekenhuis te willen gaan. Zo zakte ze langzaam weg in een diepe slaap en overleed zonder pijn te hebben geleden.
Haar kaars was opgebrand, haar licht uitgegaan.


Haar afscheid betekende ook een vernieuwde kennismaking.
Het weerzien van familieleden na zoveel lange jaren.
Mensen die door diverse levensomstandigheden uit elkaar gegroeid waren.
Misschien daarom de lach om haar mond toen we haar voor het laatst zagen liggen. Had ze dit aangevoeld?
Haar afscheid was een vernieuwde kennismaking.
Veel kaarsen begonnen weer helder te branden.



Als het duister is moet je licht ontsteken,
licht, om mensen naast je te blijven zien.
Om hoop te houden en om de goede richting uit te gaan.
Een kaars, als een lichtdrager;
Licht voor onderweg als het leven zwaar wordt.

( Onze dank aan het personeel van het woonzorgcentrum Bergh in St.Odiliënberg voor de geweldige verzorging en aan het team van Monuta uit Herten voor de mooie uitvaart
verzorging.)

woensdag 11 mei 2011

DE ZELDZAME BLOEM VAN.......

Enige dagen geleden sprak een bekende me aan toen ik in de tuin aan het werken was. Hij had in zijn voortuin een plant staan met een bloem zo mooi, die ik niet in mijn tuin had staan. Aleen hij wist geen naam van deze bloeiende plant. In de namiddag er even langs gereden, toen ik boodschappen ging doen, en wat wat het voor een plant? Een Lupine, dus niet zo zeldzaam als men dacht, maar wel mooi.

DE 'CHÂTELAINE' LUPINE.


De "Châtelaine' Lupine (roze met witte vlag) is een van de gecultiveerde Lupine soorten zoals: de 'Chgandelier' (goudgeel), 'My Castle' (steenrood), 'The Govenor' (blauw met witte vlag) en de 'Noblemaiden' (eerst roomwit, later wit).

De Lupine is een geslacht uit de vlinderbloemenfamilie (Fabaceae). Dit geslacht telt zo'n 200 soorten en veel wilde als gecultiveerde. In Noordwest-Europa komt alleen de vaste lupine (Lupinus polyphyllus) in het wild voor. Deze soort is in het begin van de 19e eeuw uit Noord-Amerika ingevoerd. Ze kunnen afhan kelijk van het soort een hoogte bereiken die varieert van 50 cm tot wel 2 meter. De bloeitijd is van juni tot oktober. Ze houden niet van kalkrijke grond.
Vermeerderen van de plant door middel van zaaien of door wortelstekken. De jonge witte wortelstekken kunnen worden uitgeplant. Door zaaien kunnen er nieuwe kleurcombinaties ontstaan.



Lupines kunnen stikstof uit de lucht binden en daarmee de grond te verrijken. Drie soorten worden gekweekt als voedsel voor mens en dier. De blauwe, gele en witte lupine. De eerste twee worden in Nederland ook verwilderd aangetroffen. Australie is met 87%, bijna 1 miljoen ton, de grootstye producent van de wereld. Lupinemeel werdt verwerkt in voedingsmiddelen zoals pasta's, koekjes, pannenkoekmeel en snacks. Mensen die allergisch zijn voor pinda's zijn ook voor het lupinemeel allergisch. Lupinemeel is een goede vervanger van genetisch gemanipuleerde soja.
Een kleiner soort gele lupine wordt op akkers geteeld en voordat de bloem gaat zaadschieten als bemesting omgeploegd. Veel zanderige bermen langs de wegen worden vaak gesierd door talrijke bloeiende lupines.

maandag 9 mei 2011

DELFT het PRINSENHOF.

Het Prinsenhof heette aanvankelijk Sint-Agathaklooster. Het kreeg de naam 'Prinsenhof' doordat het een verblijf was van Prins Willen van Oranje, die daar van 1572 tot 1584 regelmatig verbleef.



In 1584 werd Prins Willem van Oranje, die de bijnaam had 'Willen de Zwijger', hier vermoord door Balthasar Gerards in opdracht van de Spanjaarden. In de wand van de trap zijn de kogelgaten nog zichtbaar. In de tuin staat een levensgroot standbeeld van deze "Vader des Vaderlands". In 1657 werd het Prinsenhof gedeeltelijk ingericht als lakenhal. Tussen 1775 en 1807 was er de Latijnseschool van Delft gevestigd. Het gehele complex werd tyssen 1932 en 1951 gerestaureed tot een stedelijk museum. Vlak naast het Prinsenhof ligt de huidige Waalse kerk.



(klik met de linkermuisknop op de afbeelding om deze vergroot te bekijken.)


Een rijke weduwe Alyd Busers (overleden in 1409) sloot zich, samen met haar dochter Aechte, aan bij een groep Delfse zusters. Deze groep nam in 1403 een huis in gebruik als klooster aan de Oude Delft. Het klooster kreeg de naam van de beschermheilige van de dochter Aechte, Sint Agatha. Alyd Busers werd de eerste moeder-overste en werd later opgevolgd door haar dochter. De groep werd steeds groter en vele malen is het gebouwd uitgebreid. Zo werd het het, het grootste en ook rijkste klooster, binnen de middeleeuwse stadsmuren van Delft.




woensdag 4 mei 2011

KASTEEL MONTFORT. (LIMBURG)

( Eigenlijk hoort dit artikel thuis in de serie "Hier stond eens".)

DE GESCHIEDENIS.

Kasteel Montfort, ook bekend onder de namen De Grauwwert of D'n Tômp was ooit eens een van Nederlands grootste kastelen. De afmetingen van het kasteel bedragen 50 bij 50 meter. Het grondvlak is niet vierkant maar polygoon. De omliggende muur bevat knikken; uit oogpunt van verdediging. Daarnaast heeft één toren, de Grauwert, een heel afwijkende vorm: De achterkant van de toren is normaal rond, de voorkant heeft echter een spitse punt, 'tour- a-bec'of snaveltoren. Deze toren bevindt zich rechts naast de oorspronkelijke ingang van het kasteel en was zo gebouwd voor het laten afketsen van projectielen.







Het kasteel is gebouwd omstreeks 1260, in opdracht van Hendrik III van Gelre, welke zich later 'Heer van Montfort' noemt. Hij leefde van 1259 tot 1284. Hendrik III van Gelre kreeg omstreeks 1259 de plaats Linne en omgeving van zijn broer, Otto II van Gelre, geschonken. Op een strategische plaats in het dal van de Vlootbeek, op een natuurlijke heuvel, liet Hendrik III van Gelre rond 1620 een kasteel bouwen omringt door diverse wateren.





Voor de bouw werd hoofdzakelijk gebruik gemaakt van natuursteen. Een deel van deze stenen is vermoedelijk afkomstig van een gesloopte verdedigingstoren in Maastricht. Rond 1267 werd de bouw van deze burcht afgerond. Het kasteel kreeg de naam 'Montfort' en zo ook later het nabij gelegen dorpje. De naam 'Montfort' was toen erg populair. (Zelfs in Noord-Israël staat een kasteel ruïne met die naam.)


Hendrik van Gelre was behalve Heer van Montfort ook Prins-bisschop van Luik in de periode 1247-1274. Hij werd door Paus Gregorius X oneervol ontslagen uit dit ambt door zijn onwaardig gedrag. Hij trok regelmatig met zijn leger al plunderend door het Luikse land en werd zodoende 'vogelvrij' verklaard. In 1284 werd hij door de Luikenaren vermoord. Reinoud I van Gelre volgde hem op als erfgenaam.






Reinoud I van Gelre (1284-1319) liet als eerste tijdens zijn bewind het kasteel uitbreiden met een vijfde toren, de Grauwert. Oorzaak was het uitbreken van de Limburgse Successieoorlog. Toen deze oorlog ten einde kwam lag het Ambt Montfort in het zuidelijkste puntje van het Graafschap Gelre. Reinoud I kreeg met zijn gelijknamige zoon Reinoud II meningsverschil over het besturen van het gebied. Reinoud II liet zijn vader eerst gevangen houden op de Veluwe, maar in een brief van Graaf Willem van Holland werd vrijlating verzocht, maar in plaats daarvan liet Reinoud II zijn vader opsluiten, rond 1320, in de kerker van de Grauwert, een toren die hij zelf had laten bouwen. Reinoud I van Gelre stierf na zes jaar gevangenschap, in 1326.




Doordat Reinoud II (1320-1343) huwde met een zuster van de Engelse koning Eduard II brak er een bloei periode aan. Zijn status van graaf werd veranderd in Hertog. Vanaf 1337 verbleef hij regelmatig met zijn hofhouding op het kasteel. Dit stelde hogere eisen aan de woonvertrekken, die in 1342-1343 werden uitgebreid en vernieuwd. Ook de van de omliggende gronden en wateren werd een luxe tuin aangelegd. In die periode van de verbouwing werd er behalve natuursteen ook bakstenen gebruikt, welke ter plaatse werden gebakken. Door zijn slechte gezondheid maakte Reinoud II de voltooiing van het bouwwerk niet mee. Hij stierf in 1343.


In de tijd van Reinoud II en daarna werd het kasteel nog verder versterkt. Vanaf 1500 kwam er een voorburcht de Bongaertshof, later de Voorhof, bij. Zo werd de toegang tot het kasteel extra bemoeilijkt doordat men via de voorburcht pas de brug naar het kasteel kon bereiken: Men moest nu twee verdedigingsgrachten passeren.


Door de opkomst van het kanon werd het kasteel uitgebreid, rond 1536, met vestingwerken. Helaas kon dit niet verhinderen dat ten tijde van de veldtocht van Keizer Karel V ,in 1543, het kasteel zwaar beschadigd werd en volledig uitbrandde. Tijdend de 80-jarige-oorlog vervulde het kasteel nog een zeer bescheiden militaire rol. Hierna raakte het kasteel in verval. In 1685-1686 werd begonnen met het dempen van de grachten en werden de vestingwerken gesloopt, zo ook de verdedigingstoren de Grauwert. Het woongedeelte werd gespaard en diende als Ambtswoning voor de drossaard, die aan de zuidzijde een prachtig tuinencomplex liet aanleggen.


Rond 1780 volgde de sloop van het woonkasteel en werden die kelders dicht gegooid met puin en overige stenen gebruikt voor bouw en restauraties van woningen in de omgeving. Het geheel werd afgedekt met een laag aarde waarop landbouw werd gepleegd.
In 1837 werd het kasteel aangekocht door een Roedmondse papierfabrikant die in 1850 op het restant van een toren uit de middeleeuwen een achthoekig stenen jachtslot liet bouwen. Toen dit niet meer werd bewoond is het vanaf 1900 ernstig gaan vervallen.



Van linksboven naar beneden: De Witte toren, de Grauwe toren. de Bergvrede. Rechts van boven naar beneden: de Noordoosttoren en de Brikkentoren.

De Witte- en Grauwetoren aan weerszijde van de kasteelpoort hadden ieder een eigen torenwachter. De Bergvrede is altijd een pen muurronddeel geweest. De Brikkentoren, de zuidoosttoren, was aanvankelijk geen toren, maar een open ronddeel in de natuurstenen ringmuur, maar werd in 1342-1343 tot een toren getransformeerd. (brikken =bakstenen)


De noord-oosttoren werd de Buttelerye-toren genoemd. Hier staat nu het gerestaureerde jachtslot op. De naam buttelerye hield verband met de bottellarij, die hier op kelderniveau was te vinden. Tussen de Buttelerye-toren en de Brikkentoren lagen de woonvertrekken, keuken, koetshuis en de paarden stallen.



HEDEN GRAVEN NAAR HET VERLEDEN.







In 1961 kwam de kasteel ruïne in handen van de Stichting Kasteel Montfort. Deze stichting begon met het veiligstellen van de afgebrokkelde ringmuur alsmende de hoektorens, waaronder de in slechte staat verkerende Wittetoren en de Grauwert.



Zo werd ook het jachtslot en de daaronder gelegen kelders gerestaureerd. Verder werden er opgravingen gedaan naar de volgestorte kelder gewelven. Zo gaf het kasteel uiteindelijk een van haar geheimen prijs en vond men een keldercomplex van ruim 200 vierkante meter. Het keldercomplex bestaat uit een centrale gang van ongeveer 20 meter lang en vier meter breed, met aan weerszijden in totaal 10 kelderruimten, die allemaal in open verbinding staan met de centrale gang. Deze keldervertrekken zijn in de boog 3,5 meter hoog. De zijmuren uit mergel opgetrokken dateren ongeveer uit de eerste helft van de 14e eeuw. Op 17 april 2011 was er van 13.00 - 17.00 gelenheid om hier rond te kijken.








maandag 2 mei 2011

STADHUIS van ROTTERDAM.


Met de bouw van het stadhuis in 1920 werd ook gelijk de binnenstad van Rotterdam gesaneerd. Burgemeester A.R.Zimmerman wilde een nieuw stadhuis aan een statioge boulevard voor een groot stedelijke uitstraling. Hiervoor werd de Coolvest gedempt, dit werd de huidige Coolsingel.
Tevens werd de volkswijk rond de Zandstraatbuurt met de grond gelijk gemaakt.


Voor de bouw van het stadhuis werd een prijsvraag gehouden. Deze prijsvraag werd gewonnen dopor de Delfse architect professor Henri Evers met zijn ontwerp een stadhuis in neo-renaissance stijl.














Het stadhuis is symetrisch van opzet met centraal de hoofdentree. De raadzaal en burgerzaal, voorzien van een balkon aan de Coolsingel, liggen op de eerste etage aan weerszijde van de centrale hal. Het gebouw bestaat uit vier vleugels van vier bouwlagen rond een openbaar binnenhof. In totaal beslaat het stadhuis een opperv lakte van 86 bij 106 meter. De hoge toren, van 71 meter, boven de centrale hal domineert het gehele gebouw. De gevels zijn van zandsteen opgetrokken en de trapgevel boven de entree verwijst naar de Hollandse 17e eeuw.




De wapens op het stadhuis verwijzen naar de deelgemeenten van die tijd. In een nis in de voorgevel staat een levensgroot beeld van Johan van Oldenbarnevelt die in 1576 Pensionaris werd van de stad Rotterdam.