donderdag 20 juli 2017

VAARTUIGEN BEGINNEND MET LETTER 'B'. (DEEL 5)

ZE ZIJN ER IN 

VERSCHILLENDE SOORTEN 

EN MATEN OP HET WATER. (5)



BOOT. (HOLLANDSE)

De Hollandse boot een een platboomde van het aak type die in geheel Nederland en eveneens in België voorkwam als bijboot van binnenvaartschepen maar ook als werkboot, veerboot en vissersvaartuig voor de rivieren.
De boot kon ook gezeild worden en werd getuigd met een spriettuig en voorzien van zwaarden en een roer. het vlak liep voor en achter op in een heve. Aan de achterkant was een scheg voor het roer voorzien. De beplanking werd zowel gladboordig als overnaads gelegd. Boven het berghout was een naar binnen vallend boeisel met aan iedere zijde twee roeidollen geplaatst.
het spantwerk bestond om beurten geplaatste liggers en knieën. Van de vier doften was de tweede voorzien van een mastgat en een overloop.
Afmetingen: lengte tot 6 meter; breedte tot 2 meter; holte tot 85 centimeter.


BOODSCHIP.

Een bootschip is een koopvaardijschip, ook gebruikt als walvisvaarder in de tweede helft van de 17e eeuw.
De benaming 'boetscepe' wordt al in de 15e eeuw in geschreven bronnen aangetroffen.
In de 16e eeuw moet een 'boetscepe' een vrij groot zeilschip zijn geweest, waarmee zelfs oceaanreizen konden worden gemaakt.
De bewering dat het bootschip als een variante uit de fluit zou zijn ontwikkeld blijkt onjuist, vermits dit laatste type eerst in 1595 in de vaart kwam.
Bootschepen werden vooral in Nederland gebruikt, maar kwamen ook in Duitsland en Scandinavië voor.


Bootschepen hadden de romp van een galjoot, maar werden opgeboeid als een fluit, echter minder ingehaalde boorden.
Zij hadden een hekbalk en de ronding van de romp liep door tot tegen de achtersteven. Daarboven het brede hakkeboord met ramen.
Bootschepen voor de walvisvaart hadden dwars over het achterschip een zware balk liggen, die buiten de romp uitstak en gebruikt werd als davit voor twee boven elkaar hangende walvissloepen.
Deze waren er met de achtersteven aan opgehangen; de voorsteven hing aan een zware takel die in de grote mars was bevestigd. De schepen waren uitgerust met 6 slopen.
Zij  voeren een driemasttuig met onder- en marszeilen; in de 18e eeuw ook bramzeilen eaan de de fokke- en grote mast, een kruiszeil aan de kruismast, evenals een gaffelzeil in plaats van het gebruikelijke latijnzeil. Stagzeilen werden gevoerd aan de fokke- en groet mast.
Afmetingen: lengte 27 el 9 duim (27 meter); breedte 6 el 9 palm 1 duim.

BOTTER.

De botter is een vissersvaartuig, vooral uit het zuidelijke deel van de toenmalige Zuiderzee, nu IJsselmeer. Viste in het bijzonder met sleepnetten en met kuilnetten (dwars- en kwakkuil, wonderkuil).
De botter heeft zich vermoedelijk ontwikkeld uit de tochtschuit of drijver. het is een snelvarend schip en een van de meest elegante Nederlandse vissersschepen. De botter werd op vele werven rond de Zuiderzee gebouwd; te Monnikendam, Durgerdam, Marken, Spakenburg, Kuinre, Blokzijl, Urk, Muiden en vooral te Huizen.
De botter had een licht V-vormig vlak met een uitspringende kiel, hoekige kimmen en een bol openvallend, gladboordig beplankt boord. De lichtgebogen voorsteven viel vrij sterk naar vore, de rechte achtersteven had een nogal sterke valling. Het voorschip was bol, maar niet vol gebouwd en sterk weggeveegd, evenals het slank gebouwde achterschip.

Boven het berghout was een smal naar binnen hellend boeisel. De botter had een hoge kop die in een zwierige zeeg naar het lage achterschip afdaalde. Hetvoorschip was gedekt tot aan de mast. Daarachter bevindt zich het ruim waarin bij visbotters een grote bun stond.
De tuigage bestond uit een ongestaagde steekmast die getuigd was met een bezaantuig met smal grootzeil en een brede botter- of zeemansfok. De kluiverboom reikte tot tegen de waterlijst nabij de de mast en voerde een kluiver. Soms werd ook nog een 'aap' (bras of ransel) achter het grootzeil bijgezet en op de kwak een breefok aan een ra voor de mast.
Al naar de herkomst hadden de botters verschillende detailmerken. men onderscheidde onder meer: zuidwalbotters (Huizen, Muiden, Spakenburg) die een hogere kop en sterk geveegd achterschip hadden, een groter vrijboord en meer gebogen spanten dan de Marker en Monnikerdammer botter

 Bij de zuidwalbotter ontbrak ook de verdubbeling aan de kopen de voorsteven, de berenklamp.
Urker botters hadden een kleiner vlak en dus meer diepgang. Bij de botters uit Elburg en Harderwijk was de lagere kop en het brede achterschip karakteristiek.
Afmetingen: lengte 46 voet; breedte 14 voet; holte 6 voet. Dit soort schip had minder zeeg en de waterlijst lag achter de mast; bij de gewone botter ervoor. het boeisel verbreedde zich naar voor, bij de andere botters werd het zeer smal.
De laatste vissersbotters waren voorzien van een motor. Evenals de botter wordt de kwak nog slechts als een jacht gebruikt.
In België werden in de 19e eeuw ook botters gebouwd en gebruikt. Zij hadden vooral Baarsrode aan de Schelde als thuishaven eb verzorgden de bevoorrading van de plaatselijke en andere markten met paling die uit Nederland werd aangevoerd. Na de afsluiting van de Zuiderzee, en het ontstaan van het IJsselmeer, werd een aantal botters in Zeeland gebruikt voor de oester- en mosselkweek.
Voor de Noordzee visserij bouwde men een zwaarder schip, de noordzeebotter. Deze had een minder geveegd onderwaterschip, een vollere kop en achterschip. De zeeg lag praktisch horizontaal, zodat het achterschip hoger was. De romp was geheel gedekt. De tuigage was het zelfde als bij de andere botter.
Afmetingen: lengte 60 voet; breedte 17 voet 3 duim; holte 7 voet.

BRAGOZZO.

(Bragozzo, vissersschip van de Adriatische Zee, 1882)

De bragozzo is een Italiaans vissersvaartuig dat thuishoort in Chioggia nabij Venetië en dat in de streek Ancona schiletto genoemd wordt.
het vaartuig heeft een rond voor- en achterschip, een plat vlak zonder kiel en gebogen stevens waarvan de voorsteven naar achteren toe buigt boven het boord.
Het schip heeft weinig diepgang en daarom een vissend roer, dat kan worden opgehaald door middel van een takel die aan de grote mast hangt. De romp is gedekt behalve achter de grote mast waar zich een stuurkuip bevindt. De tuigage bestaat uit een grote mast die bijna midscheeps staat en een naar voren hellende fokkemast die in het voorschip staat. Beide dragen een loggerzeil met boom, het voorste aanzienlijk kleiner dan het achterste. Soms wordt ook een kluiver bijgezet op een boom.


De zeilen van de bragozzo zijn geverfd in helle kleuren en ook de voorsteven is vaak fraai beschilderd.
Afmetingen: lengte 28 tot 46 voet; breedte 7 voet 7 duim; holte 2 voet 7 duim tot 4 voet.

Tegenwoordig worden deze scheepjes weer gebouwd door de Bragozze vereniging die er zeilwedstrijden mee organiseert.   







                 Zie vervolg: VAARTUIGEN BEGINNEND MET LETTER 'B'. (DEEL 6 SLOT)

woensdag 19 juli 2017

VAARTUIGEN BEGINNEND MET LETTER 'B'. (DEEL 4)

ZE ZIJN ER IN 

VERSCHILLENDE SOORTEN 

EN MATEN OP HET WATER. (4)



BIREME.

(Reconstructie van de plaatsing van de roeiers volgens afbeeldingen van oude reliëfs. Griekse schepen uit de 6e en 4e eeuw v. Chr. en een Foenicisch schip van ca. 70 v.Chr.)

Een bireme is een roeischip met aan elke zijde twee lagen riemen
Van Griekse reliëfs uit de 5e en 4e eeuw v.Chr. zijn voorstellingen van dergelijke schepen bekend en aangenomen wordt ook dat het voetstuk van het beroemde beeldhouwwerk 'Nike van Samothrake' uit het Louvre in Parijs de boeg van een bireme voorstelde.
De Foeniciërs voeren eveneens met op deze wijze geroeide oorlogsschepen, die bovendien als ramschepen gebouwd waren.
In latere tijden werden de twee rijen riemen uitgebreid tot drie, vier of soms meer; ook daarvan zijn Griekse en Romeinse voorstellingen en beschrijvingen bekend.
Van de vroegere middeleeuwen tot omstreeks het midden van de 14e eeuw werden oorlogsschepen in de Middellandse Zee op deze wijze geroeid. Daarna verschenen de galeien, waarin de roeiers niet meer boven elkaar, maar naast elkaar op de roeibanken zaten.


BLAZER.

Een blazer is een Nederlands vissersvaartuig dat in de tweede helft van de 19e eeuw is ontwikkeld rond het noorden van de toenmalige Zuiderzee  (nu IJsselmeer) en de Waddeneilanden.
Blazers hoorden vooral thuis in Texel, Terschelling, het noorden van Friesland (Wierum, Paesens, Moddergat). Op het einde van de 19e eeuw werden ze ook voor de visserij gebruikt op de Maasvlakte en de Noordzee, op de Zeeuwse stromen en voor de Vlaamse kust.
Ze deden dienst als vrachtschip, als lichter en als bergingsvaartuig.

De vissers werkten met een beug en met een schrobnet. Blazers werden gebouwd in Makkum, Workum en Hindelopen.
Over de oorsprong van het schip is weinig bekend en de bevindingen stemmen niet met elkaar overeen. Sommigen zien het als een afstammeling van de 17e eeuwse Texelse lichter.
Anderen menen dat de blazer een vergrote en voor de Noordzee aangepaste botter zou zijn.
Dit laatste is echter minder waarschijnlijk aangezien de Noordzeebotter voor dit doel werd ontwikkeld.
De blazer is een zwaar gebouwd kielschip met een plat vlak en hoekige kimmen, een volle zware romp, waarvan het achterschip gepiekt was. De voorsteven was gebogen en vallend, de achtersteven recht en vallend. het boeisel was zeer breed en nog verhoogd met een zetboord.
De romp had weinig zeeg en was gedekt tot voorbij de mast. In het ruim achter de mast was gewoonlijk een bun gebouwd. Sommige blazers hadden achter het ruim ook nog een roef. 
De tuigage bestond uit een zware ongestaagde steekmast met een bezaantuig, bestaande uit een grootzeil, een stagfok en een kluiver die op de kluiverboom voer.
Grote blazers uit Paesens en Moddergat hadden na 1876 een doorlopend dek, waren getuigd met twee masten en tot 56 voet lang. Er bestaan nog enkele blazers die nu als jacht worden gebruikt.
Afmetingen: lengte 45 voet; breedte 13 voet 4 duim; holte 5 voet 6 duim.

BOEIER.

1. In de 16e en 17e eeuw gladboordig kustvaartuig van 40 tot 120 ton.

2. Een rondgebouwd binnenvaartuig, tegenwoordig nog slechts als plezierjacht gebruikt.

ad 1. De 16e eeuwse zeegaande boeier had een lengte/breedte verhouding van 3:1, een breedte/holte verhouding van 2:1. Hij werd ook dikwijls karveel genoemd. Een boeier van 50 last (100 ton) telde een bemanning van 5 à 6 koppen en had de volgende afmetingen: lengte 20 meter; breedte 6,66 meter; holte 3,44 meter. Er was een doorlopend dek en daarboven een overloop met een roef op het achterschip. Het draagvermogen schommelde tussen 24 en 64 last, maar overtrof doorgaans niet de 55 last. De kleinste typen hadden slechts één dek met een roef op het achterschip.
De tuigage bestond uit een mast met een sprietzeil, soms een topzeil.
Grotere boeiers voerden behalve de reeds genoemde zeilen ook nog een razeil of breefok (raboeier).
een topzeil en een blinde aan de boegspriet. Zij waren bewapend met ten hoogste 8 stukken geschut.
De oudste afbeelding van een boeier dateert uit 1548.
In de loop van de 17e eeuw werden zowel door de grote als de kleine boeier zwaarden gevoerd. Dit schip werd, uitgezonderd voor bepaalde routes verdrongen door groter zeilschepen als de fluit.
Het sprietzeil werd toen vervangen door een gaffelzeil en op de boegspriet werd ook een kluiver bijgezet.


 In de 18e eeuw, toen de zeegaande boeier was verdrongen, werd het woord gebruikt om een binnenvaart vaartuig mee aan te duiden, dat zich voor vele doeleinden leende en o.a. veel werd gebruikt voor particulier vervoer, marktscheepje, voor de kerkgang, veevervoer of plezierjacht.

ad 2. Het tegenwoordige boeierjacht  is hieruit ontstaan. Dit wordt als het meest typerende van de traditionele Nederlandse jachttypen beschouwd en o.a. gekenmerkt door de kleine lengte/breedte verhouding van ca 3 op 1, sterk ingebogen boegen, maar de onderste waterlijnen relatief scherp en de spantlijnen in het vlak soms enigszins hol (gepiekte boeier). De kop is vrij laag en lijkt op het achterschip. De zeeg is meestal gering en het boeisel behoudt over de gehele lengte vrijwel de zelfde breedte. 
Boeiers variëren in de lengte van 7 tot 13 meter. Zij hebben een kajuit, voeren een bezaantuig en hebben brede zijzwaarden. Als bouwmateriaal wordt altijd eikenhout gebruikt en het schip is gewoonlijk met snijwerk versierd.


BOEIERAAK.

De boeieraak is een Nederlands platboomd vissersvaartuig dat in de tweede helft van de 19e eeuw in Zeeland gebruikt werd voor de oester- en de mosselkweek en voor het vervoeren van visserijproducten en goederen.
Ze was gebouwd als een klassieke aak en werd geleverd door werven in Zeeland en in Zuid-Holland, onder meer in Lekkerkerk.
Het vlak was plat, maar liep in voor- en achterschip in een heve op tot tegen het boeisel. In tegenstelling met de aak had de boeieraak echter een constructief ingebouwde voorsteven.  Het achterschip was gebouwd met een scheg. De beplanking was gladboordig en het boord viel breed open tot aan het berghout. het boeisel viel licht binnenwaarts, was midscheeps recht maar liep  voor en achter in een knikvorm over.
Het voorschip was gedekt tot aan de mast. Achter de mast volgde het ruim, dar afgesloten werd tot de achterplecht waarin de stuurkuip was aangebracht. Tussen de mast en de achterplecht was het dolboord verlaagd. De tuigage bestond uit een strijkbare mast met bezaantuig.
De zwaarden waren smal voor de vaart op ruw water. het type is omstreeks het midden van de 20e eeuw uitgestorven.
Afmetingen: lengte 11,3 meter; breedte 3,3 meter; holte 1,6 meter.


BOMSCHUIT.

Bomschuit of bom is een Nederlands vissersvaartuig voor de visserij op de Noordzee.
Ze is gegroeid uit de pink die reeds in het begin van de 16e eeuw in de vaart was in Zeeland en Holland en er de haring- en de schrobnetvisserij beoefende. Omstreeks 1720 voerde de 'dubbele strand- of zeeschuit' zoals de pink toen werd genoemd, een bezaantuig met één mast, sommige ook met een druilmast. Aan de grote mast werd behalve het grootzeil ook een ratopzeil gevoerd, evenals een stagfok, en op de kluiverboom een kluiverzeil.
Als een druilmast werd gevoerd, was deze getuigd met een klein gaffelzeil, waarvan de boom op een papagaaistok was uitgehaald. De ouder bomschuiten, met een breder gebouwde romp dan de pink, hadden meer zeeg, een minder log uitzicht en smallere zwaarden.
Reeds in de 17e eeuw en nog omstreeks 1800 sprak men van  Zijde bommen. Zijde werd de kust genoemd van de Maasmond tot Huisduinen. Zij werden gebouwd in Scheveningen, Katwijk, Egmond, Noordwijk en Zandvoort. De lengte/breedte verhouding was 2:1.
Afmetingen: lengte 29 voet; breedte 16 voet; holte 5 voet. Draagvermogen: 14-18 last.

De bom werd gebouwd op een breed vlak van zware naast elkaar liggende planken. De voorsteven was recht met gebogen voet en deze werd vallend op het vlak geplaatst evenals de rechte achtersteven. De dwarsdoorsnede van de romp was U-vormig.
De overnaadse beplanking werd tegen de zijkant van het vlak gezet. Het boord was over de gehele lengte recht en in de boegen boog het in een korte bocht haaks naar de stevens, zodat het schip praktisch een rechthoekig plan had. De romp was geheel gedekt en voorzien van een bun. De brede zwaarden hingen midscheeps. Op het boord van het voorschip stonden de geesten, twee stijlen met een horizontale spil waarover de netten werden gehaald.
Na het opheffen van het kaakverbod in 1857 werden de bommen geleidelijk groter en bereikten een lengte van 49 voet. De tuigage was in grote trekken zoals eerder beschreven. Het ratopzeil was echter vervangen door een gaffeltopzeil, tjik genoemd. Het grootzeil kreeg een langere gaffel en een korte boom. De bom was verder het enige Nederlandse vissersvaartuig dat op kleurige wijze versierd was met schilderwerk, kenmerkend voor de rederij. Bommen waren strandschepen die landden op het strand, ook nog nadat in 1904 de haven van Scheveningen werd geopend. De laatste bom bleef tot 1918 in de vaart.


Bomschuit.
Verklaring van de cijfers:
1.  Tjikkera.
2.  Gaffeltopzeil.
3.  Gaffel.
4.  Steng.
5.  Piekval.
6.  Ton.
7.  Klauwval.
8.  Jachtfokkeval.
9.  Tjikkeschoot.
10. Tjik.
11. Vaste bezaan.
12. Grootzeil.
13. Halstalie.
14. Stagfok.
15. Kluiver.
16. Schoot.
17. Giek.
18. Kluifhout.

Bommen zijn ook gebruikt als koopvaardijschip en als marinevaartuig. Een klein type bom was de garnalenschuit van Zandvoort. Dit schip had een vlakke spiegel en was niet zo rechthoekig gebouwd als de bom, maar meer eivormig. Zij was enkel voor de mast gedekt. Achter de mast bevond zich een ruim, eventueel een bun. Zij voerde slechts één mast met bezaantuig: grootzeil, stagfok en kluiver.
De laatste garnalenschuit van Zandvoort verdween in 1929, te Katwijk in 1940.


De loggerbom was het soort schip dat de plaats van de bom trachtte in te nemen toen bleek dat dit vaartuig geen toekomst meer had. Zij werd in 1899 ontworpen door de Scheveningse scheepsbouwmeester Jan van der Ende.
Dit schip was bijna dubbel zo lang als de bom. het was evenals deze gebouwd met een plat vlak, alhoewel dit smaller was en langsscheeps een ingebouwde kiel had.
Het voorschip was scherp en had een licht vallende steven. het achterschip was gebouwd met een rond overhangend hek. Het grootspant was U-vormig.
Ket kisttuig bestond uit een grote mast met gaffelzeil met boom, een stagfok en een gaffeltopzeil.
Op een kluiverboom werd een kluiver bijgezet. De bezaansmast was getuigd met een gaffelzeil met boom en een gaffeltopzeil. Er werden slechts zes van deze schepen gebouwd. De laatste verdween in 1921 uit de vaart. Afmetingen: lengte 22 meter; breedte 7,15 meter; holte 2,9 meter.


BONS.

De bons is een klein platbodemig visservaartuig, vroeger vooral vissend op ansjovis en haring in de noordoosthoek van de toenmalige Zuiderzee
bij Urk en Vollenhove.
Het vaartuig vertoont veel gelijkenis met de schokker en heet onder meer eveneens de voorover hellende rechte voorstevenbalk met klamp en rol voor de ankertros.
Er komen in ons land nog maar enkele bonsjes voor als pleziervaartuig.





            Zie vervolg:  VAARTUIGEN BEGINNEND MET LETTER 'B'. (DEEL 5)

maandag 17 juli 2017

VAARTUIGEN BEGINNEND MET LETTER 'B'. (DEEL 3)

ZE ZIJN ER IN 

VERSCHILLENDE SOORTEN 

EN MATEN OP HET WATER. (3)



BAWLEY.

Een Engels vissersvaartuig voor de vangst van witvis, sprot, wulk en garnalen in de Theems en de Medwaymonding.
Het type schijnt af te stammen van de oude "Peterboot'van de Theems.
De oudere bawleys waren overnaads gebouwd en hadden een bun voor het levend bewaren van de garnalen. De nieuwere typen zijn gladboordig en geheel gedekt. Zij hebben een rechte voorsteven en een vallende achtersteven met kleine spiegel. De romp is stuurlastig gebouwd waardoor het voorschip 3 à 4 voet steekt, het achterschip tot 6 voet.
Oorspronkelijk voerde het een kottertuig met een korte mast en lange steng. het grootzeil was een gaffelzeil zonder boom. Voor de mast werd een stagfok en een kluiver bijgezet terwijl ook een gaffeltopzeil werd gevoerd.
Afmetingen: lengte 22 tot 37 voet; breedte 8 tot 11 voet; holte 3 tot 5 voet.


BEDENI.

De bedini ook badan genoemd is een Arabisch vaartuig dat veel voorkomt in de Golf van Oman en Mahra.
De platte romp heeft vrijwel geen zeeg en is voor en achter scherp. De verticale voorsteven is aan de voorkant hol gesneden.
Aan de vallende achtersteven hangt een smal, vissend roer dat op een ingewikkelde wijze met takels wordt bediend.
het schip heeft geen midden kiel maar twee kimkielen die het droog zetten op een strand vergemakkelijken. Er is geen dek, behalve in voor- en achterschip. Kleinere typen zijn getuigd met één, grotere met twee paalmasten waaraan een sectiezeil.

BERGANTIN.

De bergantin is een klein soort galei die hoofdzakelijk in de Middellandse Zee, maar ook elders gevaren werd door de Portugezen, Spanjaarden, Fransen, Italianen en Turken. 
het type wordt sinds de 13e eeuw herhaaldelijk vermeld in geschriften. men spreekt ook van bagantin, bergantin, in Frankrijk brigantin. Dergelijke schepen werden gebruikt als aviso, begeleidingsvaartuig e.d.
Zij konden gezeild en geroeid worden. gewoonlijk waren zij ingericht mat 8 tot 16 roeibanken per boord voor één roeier per bank en per riem.
Venetiaanse bergantins van omstreeks 1500 waren echter ook voor twee roeiers per bank gebouwd en hadden de volgende afmetingen: lengte 16,89 meter, breedte 3,08 meter; holte 0,89 meter.  De tuigage bestond uit één mast met een latijnzeil, maar 17e eeuwse bergantins hadden twee masten met latijnzeil.
De klassieke bergantin geleek op een een galei, maar was in tegenstelling daarvan gebouwd op een platte spiegel, behalve de Franse typen die in de 17e eeuw ook een rond achterschip hadden.
Verder was niet voorzien van een loopgang tussen de roeiers. Op het achterschip was een hoge verschansing mat een zonnnetent gebouwd. Een boegstuk was op het voorschip opgesteld.


BERMUDAKOTTER.

Een kotter waarbij het gaffelzeil vervangen is door een bermuda- of torenzeil, waarvoor tevens een hogere marconimast gebruikt werd.

BERMUDASLOEP.

(Tuigplan en profiel van de Bermudasloep 'Medicator'uit 1742.)


De Bermudasloep. zo genoemd naar de Bermuda Eilanden, die de meest bekende bouwplaatsen waren. Dergelkijke sloepen waren in de vaart tussen 1600 en het einde van de 19e eeuw. Zij werden veel gebruikt in West-Indië, waar het type aanvankelijk werd ontwikkeld op het eiland Jamaica en als Jamaicasloep bekend stond, maar ook op het Amerikaanse vasteland en in Europa van waaruit de tuigage naar Amerika werd gebracht omstreeks 1700.
Vooral kaapvaart en de smokkelarij werden door deze schepen bedreven, maar ook de handelsvaart, terwijl bij de douane en de marine in gebruik was. Door de grote vraag ontbrak het spoedig aan geschikt hout op Jamaica, waardoor de werven naar Bermuda uitweken en de naam Bermudasloep ontstond. Op het Amerikaanse vasteland was deze sloep het prototype voor de latere schoener, die tenslotte de sloep verdrong. Na 1810 werd de sloep niet meer als oceaanschip gebruikt, maar nog veelvuldig als kustvaarder in verschillende variaties en wel tot op het einde van de 19e eeuw.
De Bermudasloep was tot 65 voet lang en een snelzeilend, diepstekend en sterk stuurlastig schip met volle romp en vrij scherpe uiteinden, gebogen voorsteven, rechte vallende achtersteven en een hakkeboord. Een hoge verschansing was geboord voor 12 tot 14 stukken geschut.
Kenmerkend was de uitgebreide tuigage met een sterk vallende mast, voorzien van een korte steng.
De volgende zeilen werden gevoerd: een zeer groot gaffelzeil met boom, een brede breefok, een marstopzeil, soms een bramzeil, een stagfok, en op een zeer lange boegspriet een kluiver en jager. 
In de 19e eeuw werd de Bermudasloep populair als jacht. De mast werd toen in één stuk opgenomen en zeer dicht naar de voorsteven verplaatst, waarbij de grote valling behouden bleef. Het grootzeil kreeg een korte gaffel en aanvangkelijk bleef een gaffeltopzeil in gebruik.
Zowel de gaffel als het topzeil verdwenen echter weer en het grootzeil werd vervangen door het zo geheten bermudazeil.


BETTE.

(Bette of bateau plat.)

1. Dit vaartuig treft men aan in de maritieme gebieden van Martigues, Bouches di Rhône en Séte (Hérault) Frankrijk, waar met het gebruikt op de kustmeren van Berre en Thau; minder op zee.
Het is een platboomde, open boot met vallende stevens, een scherp voor- en achterschip en rechte naar buiten vallende boorden die met een zetboord kunnen worden verhoogd. het vlak is in de lengterichting sterk gebogen. De mast staat midscheeps en voert een latijnzeil en een fok.
Afmetingen: lengte 5 tot 10 meter; breedte 1,6 tot 3 meter; holte 0,48 tot 0,9 meter. Het vaartuig wordt ook als jacht gebruikt.

2. Een ander type wordt Marie-salope (slons' genoemd en gebruikt als modderpraam. In het casco zijn twee modderbakken gebouwd die aan de onderkant met een schuif geopend kunnen worden. 

BEURTSCHUIT.

Een beurtschuit is een Brabants binnenvaartuig van het schuittype dat tot in het eerste kwart van de 20e eeuw veelvuldig in de vaart was op rivier de Schelde, haar zijrivieren en de Vlaamse kanalen.
De beurtschuit verzorgde beurtvaart met goederen vooral van Antwerpen uit naar Lillo, Doel, Rupelmonde, Temse, Boom, Brussel, Mechelen. Gent, Brugge enz.
Het was een gladboordig, volgebouwd scheepje met zwaar voor- en achterschip.
De steilstaande , lichtgebogen voorsteven eindigde in een scherpe punt zoals bij de otters en ponen. Op het voorschip stond een spil en lag een luikje. Achter de strijkende mast bevonden zich de luiken, gevolgd door een stuurplecht.
De tuigage bestond uit een bezaantuig met grootzeil en stagfok, eventueel een kluiver. De mast stond zeer voorlijk. De zwaarden waren van het matig brede type.
Afmetingen: lengte 14 tot 17 meter; breedte hoogstens 5 meter; holte 1,5 tot 1,8 meter. Tonnenmaat hoogstens 30 ton.

BEZAANSCHUIT.

De bezaanschuit is een zwaar, volgebouwd en gladboordig vissersvaartuig met bezaantuig; in de tweede helft van de 18e eeuw en in de 19e eeuw in gebruik bij vissers van de Zuidhollandse eilanden.
Het had een gebogen. steilstaande voorsteven en een rechte, licht vallende achtersteven.
De romp was geheel gedekt en had een ingebouwde bun om de vis levend te houden.
Op het achterschip stond een kaapstander. De zwaarden waren van middelmatige breedte. variant was de Zwartewaalse gaffelaar met een gaffeltuig en soms met een druilmast.
Bezaanschuiten visten vaak als scholschuit met de kor. De gaffelaar viste wel met de beug.


                     Zie vervolg:  VAARTUIGEN BEGINNEND MET LETTER 'B'. (DEEL 4)

zondag 16 juli 2017

VAARTUIGEN BEGINNEND MET LETTER 'B'. (DEEL 2)

ZE ZIJN ER IN 

VERSCHILLENDE SOORTEN 

EN MATEN OP HET WATER. (2)



BARK.

De afleiding van dit woord gaat waarschijnlijk reeds terug tot Koptisch bari, Grieks baris.
In het algemeen werd er oudtijds een klein en eenvoudig vaartuig mee aangeduid. In de 14e en 15e eeuw duidde het woord op kleine en middelgrote schepen. In de 17e eeuw werd met bark (barque, barca) een tweemastschip voor de koopvaardij en de visserij aangeduid. De toenmalige bark had een gebogen voorsteven en een rechte licht vallende achtersteven.
De romp was vol gebouwd met matig scherp voor- en achterschip. Er was slechts één dek zonder opbouw.
De grote mast stond vrijwel midscheeps, de fokkemast zeer ver naar voren. beide masten waren getuigd met een razeil, de grote mast eventueel met een topzeil, waarvoor een steng kon worden opgezet. Een boegspriet diende enkel als steun voor het want van de fokkemast. De tonnenmaat van deze schepen lag tussen 12 en 50 ton. De afmetingen waren naar verhouding.

In de 18e eeuw en begin van de 19e eeuw werd de benaming ook gebruikt voor een koopvaardijschip van de Middellandse Zee met drie masten, waarvan de fokkemast getuigd was met een latijnzeil, de grote mast met drie razeilen en de bezaansmast met een latijnzeil en twee razeilen.
In de 19e eeuw was een bark een schip met drie, vier of vijf masten, waarvan de achterste mast niet vierkant maar langsscheeps getuigd was. Sindsdien is dit het voornaamste kenmerk van de bark gebleven.

BARKAS.

(Barkas, zesriems sloep.)

De barkas is de grootste sloep die een schip met zich meevoert. Aan boord van de koopvaardijschepen sprak men over de grote boot. Het was een grote gladboordige sloep.
Ze was dubbelreims, dat wil zeggen dat op elke doft twee roeiers zaten, hoewel ze ook twee masten met razeil kon voeren.
Men gebruikte haar onder meer voor het uitbrengen van ankers en het halen en brengen van zware lasten: drinkwater, munitie en proviand.
Aan boord van oorlogsschepen werd ze wel uitgerust met sloepgeschut ter ondersteuning van landingen en soortgelijke operaties.
In de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw werd ze soms voorzien van een kleine stoommachine voor de voortstuwing. Men sprak dan van een stoombarkas.
De naam is tegenwoordig in onbruik geraakt.


BARKENTIJN.

Een barkentijn ook wel barkschoener, driemastschoener, driemastschoenerbrik of schoenerbark, is een zeilschip waarvan de fokkemast volledig vierkant is getuigd; de volgende langsscheeps. 
Men ondescheidt de gewone barkentijn, waarmee gewoonlijk een driemastbarkentijn, bedoeld is, de viermast-, vijfmast-, en zesmastbarkentijn of -schoenerbark, respectievelijk met één volledig vierkant getuigde en twee, drie , vier of vijf langsscheeps getuigde masten.
Tussen de fokkemast worden ook nog stagzeilen gevoerd evenals op de boegspriet. De barkentijn is omstreeks 1800 ontstaan en de benaming werd zelfs aan tweemastschepen, de brigantijn, gegeven. De barkentijn kende haar opgang omstreeks 1850, vooral in de verenigde Staten van Amerika en in Europa. Viermastbarkentijnen kwamen eerst omstreeks 1880 in de vaart; zesmastbarkentijnen pas in 1918.


BARQUE.

1. Barque du Léman, zeilvaartuig van het Lac Léman of Meer van Genève. Deze schepen werden er in de 13e eeuw in de vaart gebracht door Italiaanse bouwmeesters. Dit is waarschijnlijk de reden dat zij bepaalde onderdelen sterk op de galei geleken.
De holgebogen voorsteven stond steil omhoog, terwijl aan de achterkant een kleine vlakke spiegel aanwezig was.
Het grootspant was geheel zoals bij een galei. het schip had weinig zeeg, maar een hoge kop. De romp was zoals bij de galei ter hoogte van het dek uitgebouwd door een buiten het schip uitstekend gangboord, apousti (bij de galei apostis) genoemd.
De tigage bestond uit twee masten, waarvan de eerste naar voren helde, beide voerden een latijnzeil met een zeer steil staande roede.
Soms werd een vliegende fok op een boegspriet gevoerd. Deze schepen vervoerden vooral massavrachten als teen, zand, graniet, kalk en ander bouwmateriaal.
Afmetingen: lengte 26 tot 30 meter; breedte 5 tot 8 meter; holte 1,80 meter.


2. Barque longue (in Spanje ook barca longa), 
een 17e eeuws roei- en zeilvaartuig voor de visserij in de omgeving van Cadiz, getuigd met met een tweemast- of driemastloggertuig.
Het werd als bewapende slope gebruikt bij de Spaanse marine, eveneens bij de Zweedse, waar ze barkalongen genoemd werd.
Sedert het midden van de 17e eeuw tot in het midden van de 18e eeuw werd het vaartuig ook gebruikt door Vlaamse kapers en door hen wel snauw, snau, enau, chaloupe of double chaloupe genoemd, evenals corvette.
De kleinere typen waren open boten, de grotere waren geheel gedekt. Zij hadden een draagvermogen: van 1 tot 25 last. Deze vaartuigen werden bewapend met 2 tot 10 stukken geschut en bezet door 25 opvarenden. Op grotere schepen werd ook een marszeil en een blinde gevoerd, naast stagzeilen.
Gemiddelde afmetingen: lengte 15 meter; breedte 4,5 meter; holte 1,75 meter.

BATEAU.

(Bateau-capsizun.)


1. Platbodemd roei- en zeilvaartuig dat tijdens de Amerikaanse Revolutie (1774-1783) gebruikt werd op het Champlain Meer en in andere gebieden. de boot was ongeveer 60 voet lang, had een scherp voor- en achterschip met rechte, vallende stevens.
Het dolboord werd soms verhoogd met schanskleden als maskering en bescherming van de inzittenden. De bewapening bestond uit één kanon in de boeg.
Dit vaartuig voerde soms een latijnzeil.



2. Een soortgelijk vaartuig werd in het noorden van de V.S. en in Canada ook geb ruikt door de houthakkers en eveneens bateau genoemd.
Afmetingen: lengte 30 voet; breedte 6 voet; holte 1 voet 2 duim.

3. In Noord-Amerika werden verschillende typen kleine vaartuigen als bateau aangeduid onder meer de skipjack van de Cheasepeakbaai (Maryland, Virginia). Een platboomde open boot voor de oestervisserij in de Shoalwater Bay (Washington0) was ook een bateau. Zij was soms uitgerust met een middenzwaard en een loggerzeil.
Afmetingen: lengte 24 tot 30 voet; breedte 11 tot 12 voet.
Een ander bateau was een smal, halfgedekt vaartuig met een V-bodem en middenzwaard, in gebruik voor de krabbenvisserij en voorzien van een cat yawl-tuig.
Afmetingen: lengte 21 voet; breedte 8 voet; holte 2 voet.
Ook de Amerikaanse scow werd soms een bateau genoemd.


4. Bateau boeuf, ook bateau-bête, bête, boeuf,   vaartuig dat langs de Franse kust van de Middellandse Zee gebruikt werd voor de sleepnetvisserij, de kustvaart, het vervoer van dieren en ook als modderpraam.
De sleepnetvisserij geschiedde in span (met twee schepen) zoals twee ossen (boeufs) die een wagen terekken. Vandaar de naam.
De tuigage gelijkt sterk op die van de tartane en bestaat uit een mast met een latijnzeil.
Bij aanwakkerende wind worden de zeilen niet gereefd maar vervangen. 
Afmetingen: lengte 52 voet; breedte 16 voet; holte 5 voet 3 duim. 


BATEL.

1. Grote boot die in de middeleeuwen achter een schip gesleept werd.

2. Portugese grote boot voor het vervoer van de sardinenvangst. het vaartuig is voor en achter scherp en is kleiner dan de lancha.

3. Een klein Portugees treivissersvaartuig van Barreiro, Seial en Setubal, getuigd met een mast en een latijnzeil.

4. De Spaanse batel werd gebruikt voor de kustvisserij ter hoogte van Guipuzcoa en Viscaya. het was een klein loggergetuigd scheepje van 15 à 20 voet lengte.

5. In de omgeving van deBerlega's en de Faralon Eilanden (Califinië) bestond eveneens een open boot met scherp voor- en achterschip en getuigd met een latijnzeil, die batel werd genoemd.

6. De batelao, batil of batel van de Perzische Golf en de westkust van India was een kleine kustvaarder die ook voor de parelvisserij nabij Muscat en andere havens werd gebruikt. 


7. De batel is nog steeds de Indische tegenhanger van de Arabische  sambuk. het is een open vaartuig met een lichtgebogen, vallende voorsteven en een rechte achtersteven met hartvormige spiegel. Soms worden ook batels met een rond achterschip gebouwd. De romp is ruw maar sterk beplankt met teakhouten boorden en gebouwd op gegroeide spanten. In het ruim worden zes zware doften aangebracht, waarvan twee schuin boven elkaar voor de mast.
Het voor- en achterschip is gedekt.
Bij grotere typen is het achterschip van een verhoogde verschansing voorzien (soms ook het voorschip) waardoor een kampanje is ontstaan. Bij gewone typen wordt een naar voren vallende mast met setiezeil gevoerd. Grotere schepen hebben ook een bezaansmast met een latijnzeil. Soms wordt ook een vliegende fok bijgezet aan een boegspriet.
Afmetingen: lengte 48 tot 80 voet; breedte 15 tot 20 voet; holte 6 tot 10 voet. Tonnenmaat 35 tot 100 ton.




       Zie vervolg: VAARTUIGEN BEGINNEND MET LETTER 'B'. (DEEL 3)


vrijdag 14 juli 2017

VAARTUIGEN BEGINNEND MET LETTER 'B'. (DEEL 1)

ZE ZIJN ER IN 

VERSCHILLENDE SOORTEN 

EN MATEN OP HET WATER. (1)



BAGHLA.

Baghla, ook baghala, baggala is een Arabisch koopvaardijschip van het type dhow voor de vaart in de Rode Zee, langs de zuidkust van Arabië en de westkust van India, in de Arabische Golf en de Golf van Oman.
De romp is gladboordig gebouwd. Er is een lange, rechte, sterk vallende voorsteven en een achterschip met kasteel en fraai gebeeldhouwd hakkeboord, dat in vorm en bewerking sterk aan de Europese hakkeboorden uit de 17e en 18e eeuw herinnert.
Men neemt aan dat deze vorm en versiering ontstaan zijn door de invloed van de Portugese expeditieschepen uit de 16e eeuw en later.
De baghla heeft een doorlopend dek. In de 19e eeuw werd zij ook bewapend voor oorlogsdoeleinden. Zij voerde dan 50 stukken geschut.
Het tuig bestaat uit twee masten die setiezeilen dragen.
De grote mast staat midscheeps, de bezaansmast ter hoogte van het achterkasteel. De zeilen zijn niet voorzien van riffen, want zij worden indien nodig door een kleiner stel vervangen. Er kon ook een fok worden bijgezet.
Deze schepen hadden steeds een grote bemanning die meestal uit deelgenoten bestond. In de eerste helft van de vorige eeuw werden nog baghla's gebouwd in de haven van Soer (Oman), maar omstreeks 1940 waren er waarschijnlijk geen vijftig meer in de v aart.
Afmetingen: lengte 100 tot 140 voet; breedte 20 tot 28 voet; holte 11,5 tot 18 voet. Tonnenmaat: 100 tot 400 ton.
De Indiase kotia lijkt heel veel op de Arabische baghla, evenals de ghunja of ganja, een in India ook veel voorkomend scheepstype.

BALANCELLA.

1. Vissersvaartuig en kustvaarder van de noordwestelijke Middellandse Zee. Hoorde oorspronkelijk thuis in Napels en ontwikkelde zich als vissersvaartuig en kustvaarder van de Ligurische kust.
Ken merkend waren de rechte, lichtvallende voor- en achtersteven, scherp voor- en achterschip en een matige zeeg.
De romp was geheel gedekt. De verticale mast voerde een latijnzeil of een setiezeil met een fok die op een boegspriet voer.
De vissersbalancella viste in span met een net dat bilancia werd genoemd.
Afmetingen: lengte 30 voet 6 duim tot 39 voet 3 duim; breedte 7 voet 4 duim tot 13 voet 1 duim; holte 2 voet 4 duim tot 3 voet 9 duim. Voor de kustvaartbalancella: lengte 65 voet 6 duim; breedte 14 voet 2 duim; holte 6 voet 6 duim.

 (Een van de vele varianten van dit soort schip, de Spaanse balancella.)


2. De Franse ballancelle was voor en achter ook scherp gebouwd, had een gebogen voorsteven, waarvan de hoge kop achterwaarts helde, en een rechte achtersteven. Het boord was verhoogd door een open verschansing.
Achter de voorplecht bevond zich een aantal roeibanken voor een twintigtal roeiers, maar ze werden ook gezeild.
Er bestonden eenmast- en tweemasttypen. In het laatste geval helde de grote sterk naar voren, de bezaansmast in mindere mate. beide masten voerden een latijnzeil.
De ballencele werd ook als bewapend schip gebruikt waarvoor een boegstuk in het voorschip geplaatst werd. De Franse balancelle had een lengte van ongeveer 25 meter.

3. De Spaanse balancella komt als kust vaarden nog wel een voor in de havens van Barcelona, Valencia en Palma. Zij varen op Algerije, Marseille en ook naar Atlantische havens. Enkele wagen zelfs de oversteek naar de Antillen.
Oorspronkelijk waren het voor- en achterschip scherp, maar men bouwt nu ook ijzeren balancea's met rond, overhangend of vierkant achterschip. De ouder typen hadden een gebogen voor- en achtersteven, de laatste aanmerkelijk naar binnen gebogen. Het roer was eveneens gebogen en vissend. Behalve de gewone kiel waren er nog twee zijkielen dicht bij de kim om het stranden op een rotsachtige kust mogelijk te maken. Een soort zetboord dat op het voorschip begon liep over het gehele schip, over net achterschip naar buiten en vormde daar een gedekte uitbouw.
De tuigage bestond uit twee masten, de voorste sterk naar voren vallend, de achterste in mindere mate naar achteren. Beide voerden een latijnzeil. De schoot van het achterste zeil liep over een papegaai. De fok voer op een lange boegspriet.
Afmetingen: lengte 40 tot 60 voet; breedte 11  6 duim tot 15 voet 8 duim; holte 4 voet tot 4 voet 9 duim.


BARCO.

1. Brazilaanse kustvaarder van Bahia. Draagvermogen: 20 tot 120 ton. Afmeting 26 tot 62 voet.
Verschillende Portugese vaartuigen worden eveneens barco genoemd:



2. Barco de Ilhavo, open platboomd vissersvaartuig afkomstig uit Ilhavo. Men vist er mee tussen Kaap Roca en Kaap Espichel op sardinen.
Het heeft een oplopende voor- en achtersteven en een gedekt voorschip. Alhoewel het vaartuig meestal geroeid wordt voert het ook een midscheepse mast met een latijnzeil.
Het type lijkt sterk op de varrinho, een vaartuig dat eveneens voor de visvangst langs de Portugese kust wordt gebruikt.

3. Barco moliciero, een platboomd vaartuig voor het vervoer van zeewier op de meren van Aveiro (Portugal).


( Barco moliciero.)

Ook werd er zout mee verscheept en dan werd het vaartuig barco saliero genoemd.
Het platte vlak loopt in een uitgesproken lepelboeg omhoog. 
De bovenkant van het voorschip  buigt in een korte bocht naar achteren, maar is met een scharnier vastgezet, zodat dit deel neergeklapt kan worden voor de doorvaart onder bruggen. De achtersteven is matig gebogen. De boorden zijn recht en vallen open. Het lage vrijboord kan door een zetboord worden verhoogd.
In het voorschip is een korte plecht. Het vaartuig wordt geroeid, geboomd of gezeild. In het laatste geval wordt een mast met een loggerzeil gebruikt. Grotere schepen voeren bij gelegenheid een tweede mast.
Afmetingen: lengte 36 tot 47 voet 8 duim; breedte 7 voet 8 duim tot 8 voet 1 duim; holte 2 voet 3 duim tot 2 voet 7 duim. Draagvermogen 2 tot 2,5 ton.
De barco saliero heeft de volgende afmetingen: lengte 60 voet; breedte 8,5 tot 9 voet. Draagvermogen 18 tot 20 ton.


4. Barco poveiro, is een kleine open vissersboot voor de kustvisserij, afkomstig van Povao de Varzim.
In kalm water wordt de boot geroeid; anders wordt in het voorschip een licht vallende mast geplaatst, getuigd met een latijnzeil.
Dergelijke boten worden ook voor de sardinenvisserij gebruikt en dan sardinheira genoemd.


BARCO RABELLO.



(Barco rabello het Portugese wijnschip van de Douro.)


5. Barco rabello, is een vrachtvaartuig vooral bestemd voor het vervoer van portowijn langs de snelstromende rivier de Douro.
De schepen zijn uit dennenhout gebouwd en, wat uitzonderlijk is in Portugal, overnaads beplankt.
De bodem van het schip is vlak, zonder kiel, maar gaat met ronde kimmen in het boord over. het voorschip loopt in een lepelboeg op en is voorzien van een steven. ook het achterschip loopt in een lepelboeg op, maar heel hoog boven het dek en eindigt in een kleine spiegel die een grote dol voor een stuurriem draagt.


Het voorschip is gedekt en in het achterschip bevindt zich een kleine overdekte roef.
Het vrijboord kan door middel van een zetboord worden verhoogd. Nabij het achterschip staat een stuurinstelling die ongeveer 4 meter hoog is.
Hierop staat de roerganger die een licht S-vormige stuurriem van 10,5 meter lengte bedient. deze riem ligt op de bovenkant van de achtersteven; ze is aan de stuurzijde geballast.
Deze wijze van sturen laat toe het vaartuig zeer nauwkeurig te varen en korte bochten te laten beschrijven in de stroomversnellingen. Tevens kan de roerganger vanaf de stuurinstelling over de deklading vaten heen kijken.
De barco rabelo voert ook een eenmasttuig met een rechthoekig razeil, dat alleen bij achterlijke wind gebruikt wordt. In andere omstandigheden wordt het vaartuig gejaagd door de bemanning of door ossen, of wordt een gunstige wind afgewacht.
Afmetingen: lengte 60 voet; breedte 12 voet; holte 4 voet. Lading: 45 tot 50 vaten wijn of 22 tot 25 ton. Het vrijboord bedraagt dan slechts 5 duim.

(Een soortgelijke stuurmethode wordt ook in China gebruikt op de Yangtze Kiang voor het voeren van de wai-p'i ku ch'uan of kromsteven jonk.)


BARGE.

 (Barge uit 1796 van het kanaal Gent-Brugge.)


Barge, ook baardse, bargea, barke een scheepsbenaming die in verschillende talen in meerdere schrijfwijzen wordt aangetroffen zonder dat er een juiste omschrijving van gegeven kan worden.
In de 14e en 15e eeuw komt de benaming in geschriften herhaaldelijk voor om er een roeivaartuig van gemiddelde grootte mee aan te duiden.
Het woord wordt eveneens gebruikt als synoniem van vaartuig, sloep. Trekschuiten werden ook met de benaming barge aangeduid. Van omstreeks 1613 tot op het einde van de 19e eeuw voer tussen Gent en Brugge een dergelijke barge, een grote trekschuit voor passagiersvervoer die gejaagd werd door middel van twee paarden, terwijl bij gunstige wind een gaffeltuig bijgezet werd.
het was een vaartuig met vlakke bodem en rond voorschip, dat versierd was met een stevenfiguur.
Het achterschip had een vlakke spiegel, waarboven een versierd open hek.
Boven het berghout was het boord voorzien van ramen die het passagiersverblijf onder dek verlichten. Passagiers konden ook op dek verblijven. Op het achterschip was een soort zonnetent opgericht. 
De dienst met de dagbarges werd gestaakt op 1 oktober 1838. Dit was het gevolg van de ingebruikneming van de spoorwegverbinding Gent-Brugge-Oostende. De nachtbarges bleven nog varen. In 1908 werd de laatste barge voor de sloop verkocht.
In de 19e eeuw bestond onder meer een bargedienst Amsterdam/Den helder. De Groninger bargeboot verzorgde het passagiersvervoer op de waterwegen in de provincie Groningen.
In Engeland heeft de barge de meer algemene betekenis± lichter, bak, aak.


BARINHO.

Ook wel barino genoemd, is een Portugees vracht/ en vissersvaartuig van de rivier de Taag.
Een slank vaartuig met vlakke bodem, hoekige kimmen en openvallend boord, scherp voor/ en achter, met gebogen stevens die met de uiteinden hoog boven het boord uitsteken.
Het heeft een matige zeeg alhoewel een hoge kop. het vrijboord kan door middel van een zetboord verhoogd worden.
De romp is voor en achter gedekt, open in het midden. In dit ruim bevinden zich een zware mastbank en uitneembare doften, ten hoogte 15.
De mast valt sterk naar achteren en voert een latijnzeil dat meestal rood of geel getaand is.
Tijdens het zeilen wordt een los zijzwaard gebruikt. het vaartuig heeft een zwaar roer met lange hak dat door middel van een juk en takels bediend wordt.
Afmetingen: lengte 20 meter; breedte 3,8 meter; holte 1,10 meter.


      Zie vervolg:  VAARTUIGEN BEGINNEND MET LETTER 'B'. (DEEL 2)